In 1999 probeerde een bonte coalitie van ngo’s, vakbonden, actiegroepen en individuen in Seattle om een nieuw akkoord van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) tegen te houden. ‘The battle of Seattle’ bracht een dynamiek op gang van internationale strijd tegen neoliberale instellingen en akkoorden, en de ‘andersglobalistische’ beweging was geboren. Tien jaar later (nog vóór de VN-Top van Kopenhagen over de klimaatswijziging) achtten andersglobalisten David Dessers en Matthias Lievens de tijd rijp om een voorlopige balans op te maken, om een aantal debatten binnen de andersglobalistische beweging te bespreken en om eens vooruit te kijken naar de toekomst. Dat levert een interessant boek op, dat veel stof voor discussie bevat.

Na de proloog, waarin ze het belang van Seattle uitleggen, en een eerste hoofdstuk waarin een korte geschiedenis wordt gegeven van de breukmomenten en de inhoudelijke prioriteiten binnen de andersglobalistische beweging, behandelen de auteurs in de volgende hoofdstukken een aantal inhoudelijke en strategische debatten die leven bij de andersglobalisten. In het tweede hoofdstuk bespreken ze de idee van anarchisten en autonomisten (zie voor uitleg daarover deze boekbespreking) om de wereld te veranderen zonder de (staats)macht te verkrijgen. Volgens de auteurs is dat een illusie, de politiek bepaalt nog steeds de grenzen van het mogelijke. Er moet dan ook naar gestreefd worden om de staatsmacht te grijpen, al is dat niet hetzelfde als gewoon de verkiezingen proberen te winnen: “De staatsmacht grijpen om de maatschappij te veranderen is niet hetzelfde als het reëel bestaande staatsapparaat overnemen. Integendeel, dat laatste moet juist ontmanteld worden en vervangen worden door andere, meer democratische instituties (…)” (p. 59).

Aangezien volgens de auteurs dus een tegenmacht moet worden opgebouwd, behandelen ze in hoofdstuk drie de sociale fora als mogelijke broedplaats voor een tegenmacht. Het Wereld Sociaal Forum (WSF) werd in 2001 opgericht als tegenhanger voor het Wereld Economisch Forum (WEF) (zie daarover dit blogstuk). Later kwam er ook onder meer een Europees Sociaal Forum (ESF) en een Belgisch Sociaal Forum (BSF). De formule van een ‘forum’, een soort open ontmoetingsplaats, was volgens de auteurs in 2001 een goed model gezien het pluralisme en de verscheidenheid binnen de andersglobaliseringsbeweging. In de inleiding geeft Erik Goeman echter al aan dat er een gebrek is aan ‘collectieve politieke speerpunten’ (p. XIV). Ook David Dessers en Matthias Lievens achten de tijd rijp om de forumformule te verlaten en een meer geïnstitutionaliseerde tegenmacht op te bouwen met eigen programma’s, campagnes en democratische structuren. Dat vereist een kwalitatieve stap binnen de beweging.

Bovendien is er het probleem dat in het vierde hoofdstuk wordt besproken, namelijk de problematiek van de ‘twee linkerzijdes’. Om verschillende redenen gaapt er een kloof tussen de andersglobalisten en politieke partijen. Die redenen zijn onder andere de desillusie in de ‘traditionele’ politiek die door het neoliberalisme versterkt is, de vrees voor de overmacht van een bepaalde politieke stroming, de ideologische positie van anarchisten tegen politieke organisatie en de ‘politieke neutraliteit’ die diverse ngo’s willen behouden. Sociale bewegingen mogen zeker niet ondergeschikt worden aan partijpolitieke belangen, maar toch is een debat over de verhouding tussen de beweging en de politieke partijen volgens de auteurs noodzakelijk. Maar dat leidt tot de discussie tussen verschillende politieke oriëntaties voor de beweging. Die discussie vatten Dessers en Lievens samen in de keuze tussen Lula en Chávez. “Er is keuze tussen twee oriëntaties, twee linkerzijdes. Eén die zich in het neoliberalisme integreert en er wat scherpe kantjes van probeert af te snijden, maar er uiteindelijk door opgeslokt dreigt te raken. En één die ermee wil breken.” Lula (president van Brazilië tussen 2002 en 2010) staat voor de auteurs symbool voor de eerste variant, Chávez (president van Venezuela sinds 1999) voor de breuk met het neoliberalisme. Zij opteren duidelijk voor de tweede variant.

Hoofdstuk vijf is een complexer en abstracter hoofdstuk. Het behandelt de discussie hoe men het best kan omgaan met de mondialisering die sinds de jaren 1980 nog meer voor een wereldwijd kapitalisme heeft gezorgd. Er zijn drie strekkingen binnen de andersglobalisten. De eerste wil de markt temmen via ‘mondiale democratie’. Volgens de grote ngo’s en een deel van de sociaaldemocratie moeten de internationale instellingen als de WTO, het IMF en de Wereldbank hervormd, gedemocratiseerd en socialer gemaakt worden. Tegenover de economische globalisering moet dus een politieke globalisering staan. Het probleem met deze strekking is volgens de auteurs dat ze vertrekt vanuit morele in plaats van politieke uitgangspunten, en zo de machtsverhoudingen in de wereld negeert: “In een wereld van ongelijke machtsverhoudingen en imperialisme voeren internationale instellingen bijna per definitie een ongelijke en imperialistische politiek, ongeacht welk moraliserend discours ze hanteren om die te legitimeren” (p. 111).

De tweede strekking is die van de multitude, een concept uit het (moeilijk leesbare) boek Empire van Michael Hardt en Antonio Negri. In hun visie worden veranderingen in de wereld gedreven door verzet van onderuit. Op een bepaald moment werden de nationale staten onvoldoende om die krachten van onderuit in toom te houden. Mondialisering betekent dus dat de macht van het verzet sterker wordt en is in die zin positief. In hun ogen is elk pleidooi voor versterking van de nationale staat een stap terug. Dat levert echter twee problemen op. Ten eerste levert hun visie weinig concrete eisen en weinig aanknopingspunten op om voor te strijden. Ten tweede is elke stap richting verdere mondialisering positief, ook als dat (voorlopig) een neoliberale mondialisering is.

Een derde en laatste strekking, die door de auteurs verdedigd wordt, is die van een ‘nieuw internationalisme’. Nationale soevereiniteit is volgens de auteurs niet altijd achterhaald, en voor democratische controle over de economie en grondstoffen is er vaak geen ander niveau mogelijk dan de nationale staat. Samengevat: “Het protest tegen de globale politieke instellingen blijft natuurlijk cruciaal, maar de concrete breuk ermee en de opbouw van alternatieven moeten wel op een bepaalde plaats beginnen, ingebed in een internationalistische dynamiek” (p. 123). Mij lijkt een licht andere variant van deze visie aannemelijk. Om op het niveau van de nationale staat iets te kunnen veranderen, moet men éérst de internationale instellingen hervormen. Die internationale instellingen beperken nu immers sterk de grenzen van wat mogelijk is, waardoor het voeren van een alternatief beleid op een lager niveau zoals de nationale staat zeer moeilijk is (zie daarvoor dit essay).

In het voorlaatste hoofdstuk wordt de ‘meervoudige systeemcrisis’ van het kapitalisme besproken. Ten eerste is er de economische crisis, die de geloofwaardigheid van het neoliberalisme een enorme klap zou gegeven hebben. Dit betekent voor het andersglobalisme een kans om het linkse verhaal te versterken, al hebben ook rechtse verhalen in een crisisomgeving veel mogelijkheden. De tweede crisis is de klimaatswijziging. Een transitie zal er volgens de auteurs sowieso komen, maar de vraag is hoe, met welk resultaat, en wie de kosten zal dragen. Binnen het kapitalisme zal dat ten koste gaan van de lagere klassen en het globale Zuiden, en zal dat gepaard gaan met nog meer vermarkting, aldus de auteurs. In ieder geval leiden beide crises volgens Dessers en Lievens tot een zekere mate van (linkse) radicalisering. De vraag daarbij lijkt mij of die radicalisering zich niet enkel doorzet bij mensen die al overtuigd waren van een links verhaal. Al zijn er hoopvolle tekens, toch blijven grote veranderingen in het algemeen ideologisch klimaat volgens mij uit.

De auteurs eindigen het boek met hun pleidooi voor een ‘ecosocialisme van de 21ste eeuw’. Dat socialisme zal in de 21ste eeuw van onderuit moeten komen, en radicaal democratisch moeten zijn, in tegenstelling tot het ‘socialisme van de 20ste eeuw’. Ten tweede zal het een ‘ecosocialisme’ moeten zijn. Socialisme is volgens de auteurs niet genoeg om de ecologische problemen op te lossen, er zal ook een fundamentele herziening van het socialistische project in ecologische zin moeten komen. Voor de auteurs is de Hugo Chávez de verpersoonlijking van de heruitvinding van een socialistisch project. De vraag is of Chávez dat ecosocialisme van de 21ste eeuw wel effectief belichaamt. Dessers en Lievens verafgoden de Venezolaanse president zeker niet en blijven af en toe kritisch, maar toch hebben ze veel lof voor de dynamiek die Chávez volgens hen aan de basis teweegbracht en voor “een aantal maatregelen om de participatie en zelforganisatie van de armen vooruit te helpen” (p. 56).

Chávez is een dubbelzinnig figuur die vaak ofwel (onterecht) volledig verafschuwd wordt, ofwel (ook onterecht) volledig bewierookt wordt. De vooruitgang die Chávez bracht voor de onderkant van de samenleving valt zeker toe te juichen. Toch kan je enkele significante kanttekeningen plaatsen bij zijn beleid. Ten eerste worden vaak vragen gesteld bij het democratisch gehalte van zijn politiek.  De auteurs zijn daarover genuanceerd: “Hij combineert bijvoorbeeld de keuze voor een diepgaande democratisering (…) met de neiging om nogal wat macht bij de figuur van de president zelf te centraliseren” (p. 148). Het lijkt mij inderdaad correct dat de balans van democratisering meer gemengd is dan de Westerse mainstream media beweren, en de uitbouw van meer participatieve democratie op lokaal niveau is toe te juichen, maar toch blijft het opletten geblazen voor een al te autoritaire koers. Ten tweede is de manier waarop Chávez nationale soevereiniteit verzoent met internationalisme wel positief, maar wanneer dat internationalisme vervalt in vriendschap met louche figuren als Ahmadinejad en Mugabe leidt het anti-Amerikanisme en anti-imperialisme toch tot foute allianties. Een derde en laatste opmerking geven de auteurs zelf: “De olie-inkomsten zijn voor Chávez politiek heel belangrijk. (…) De vraag blijft echter: is het überhaupt wel mogelijk een nieuwe maatschappij op te bouwen als je niet raakt aan een van de hoekstenen van het kapitalisme, namelijk de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen?” (p. 156). De oliepolitiek van Venezuela is dus niet echt ‘ecosocialistisch’. Al bij al kan je dus een genuanceerde en gemengde (doch niet per se negatieve) balans opmaken bij het beleid van Chávez. Dat doen Dessers en Lievens ook wel in zekere mate. Zo schrijven ze bijvoorbeeld: “Chávez moet zeker niet op een voetstuk geplaatst worden” (p. 148). Het lijkt dan toch niet helemaal correct om hem te beschouwen als de belichaming van een ecosocialisme van de 21ste eeuw. Bovendien kan je je nog afvragen in welke mate de Latijns-Amerikaanse context wel een voorbeeld kán vormen voor Europa en het Westen, en of hét ecosocialisme van de 21ste eeuw op internationaal vlak wel bestaat. Je zou bijvoorbeeld kunnen verdedigen dat het socialisme meer ruimte laat voor diversiteit in het nationale beleid, tegenover de homogeniserende kapitalistische economie en de opgedrongen ‘Washington consensus’.

Los van de bedenkingen bij Hugo Chávez, geeft dit boek in het algemeen een duidelijke, vlot leesbare insider inleiding tot de belangrijkste debatten en tegenstellingen binnen de andersglobalistische beweging. Ook zonder een al te grote voorkennis is dit boek begrijpbaar. De auteurs situeren zich ‘binnen de radicalere, antikapitalistische vleugel van het andersglobalisme’ (p. 20). Dat blijkt vaak uit hun ideeën en standpunten in de debatten, maar beperkt hun kritische geest of intellectuele eerlijkheid niet. Volgens mij kunnen echter nog een aantal vraagtekens gesteld worden bij de toekomst van het andersglobalisme.

Een eerste vraag is in welke mate de andersglobalistische beweging wel reële macht heeft. De gebroken vitrines staan natuurlijk niet alleen voor de mediagenieke beelden die de enkele relschoppers op andersglobalistische betogingen opleveren voor de mainstream media. Ze zijn ook een metafoor voor de ideologische deuken in het neoliberalisme. “De andersglobalisten hebben de durf en de moed aan de dag gelegd om net op dat moment de vitrines van dat [neoliberale] huis in te smijten (…)” (p. 42). De vraag is in welke mate de andersglobalisten daar een aandeel in hebben gehad, en of het neoliberalisme niet zijn eigen ruiten heeft ingesmeten doordat de hoge economische groei die het beloofde een illusie bleek te zijn, zoals de financieel-economische crisis aantoonde. Dessers en Lievens geven dat ook deels zelf toe. Toch zijn zij vrij optimistisch over de (toekomstige) macht van de andersglobalisten. Zelf deel ik eerder het pessimisme die Erik Goeman in de inleiding van het boek tentoonspreidt. Op de klimaattop van Kopenhagen in 2009 leidde een sterke andersglobalistische aanwezigheid alvast niet tot de gewenste resultaten. En ook in Latijns-Amerika, de hoop van de andersglobalistische beweging, is links niet meer zo vanzelfsprekend, zoals onder andere de verkiezingen in Chili in 2009 en het verlies van de tweederde meerderheid van Chávez bij de parlementsverkiezingen in 2010 aangeven. De vraag is trouwens wat er in Venezuela gebeurt in 2012, als Chávez geen kandidaat meer kan zijn bij de presidentsverkiezingen. Bovendien behoort Latijns-Amerika nog steeds eerder tot de periferie, en zal het andersglobalisme moeilijk kunnen doorbreken als het geen potten breekt in de centrale staten in het globale kapitalisme.

Een tweede probleem wordt al aangegeven door de auteurs, en staat centraal in het vierde hoofdstuk: “De vraag naar duidelijkere standpunten en duidelijkere engagementen doorkruist vandaag niet voor niets de sociale fora overal ter wereld. Het gaat om een paradox: enerzijds willen we duidelijkere taal spreken, anderzijds blijft er de bekommernis om een beweging met brede vleugels te blijven” (p. 28). Eigenlijk gaat het hier om de vraag hoe radicaal je kan zijn zonder marginaal klein te zijn, of omgekeerd, hoe groot je kan zijn zonder al te veel naar het centrum op te schuiven. Deze breuk is al op nationaal en Europees vlak duidelijk, en zal waarschijnlijk op mondiaal niveau nog veel moeilijker te verzoenen zijn. Een politieke vertaling van een heterogene beweging als de andersglobalisten is dus niet evident. Zoals de auteurs zelf aangeven, dreigt men met een al te radicale beweging te vervallen ‘in de creatie van alternatieve eilandjes te midden van een maatschappij die niet veranderd raakt’. Anderzijds is de vraag in welke mate de gematigde kringen binnen het andersglobalisme uiteindelijk wel een andere maatschappij willen opbouwen, in plaats van enkel de scherpe kantjes van de huidige samenleving af te vijlen. IJveren voor maatschappijverandering verzoenen met een brede beweging blijven zal een moeilijke evenwichtsoefening zijn, waarbij men het andersglobalisme volgens mij niet kan beperken tot radicaal-links.

Zo komen we tot de derde kanttekening. Ondanks de zware materiële en ideologische crisis waarin het neoliberalisme zich bevindt, valt het in Europa de sociaaldemocratie en de groenen zwaar om een coherente, systemische kritiek te ontwikkelen, en heeft radicaal-links het moeilijk om zich te laten horen, door te breken en/of stand te houden. Links is in Europa dus zowel electoraal als ideologisch in het defensief. Ook in de VS, in Azië en in Afrika zijn er weinig signalen dat een linkse maatschappijvisie aan belang wint. Het mondiale niveau is, zoals het andersglobalisme terecht aangeeft, zeer belangrijk om grote veranderingen in het huidige kapitalistische systeem af te dwingen. Maar als links al geen grote invloed heeft op de materiële, ideologische en institutionele omstandigheden op nationaal (en supranationaal) vlak, kan het dan wel veranderingen afdwingen op mondiaal vlak? Wellicht zal er een wisselwerking nodig zijn tussen een draai naar links op het nationale niveau en op het mondiale niveau. De andersglobalisten hebben in ieder geval de verdienste om dat mondiale niveau op de agenda te houden.