Het maatschappelijke debat over de gebrekkige ‘integratie’ van etnische minderheden woedt momenteel in alle hevigheid. Hierbij valt het op dat er vaak verwezen wordt naar meer culturalistische verklaringen (zoals de rol van waarden, religie, taal…). Een onderzoek naar meer structurele verklaringen vormt dan ook een verademing. En dat is precies wat de auteurs Glorieux, Laurijssen en Van Dorsselaer in dit boek trachten te doen. Ze onderzoeken in welke mate en op welke manier verschillen in onderwijsniveau en sociale achtergrond een verklaring bieden voor een meer problematische intrede op de arbeidsmarkt van etnische minderheden in Vlaanderen.

Door een gebrek aan adequaat cijfermateriaal ligt een dergelijke studie niet voor de hand. Het onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden in Vlaanderen gebeurde tot nu toe op basis van vier databanken met elk hun sterktes en zwaktes: de volkstellingen van 1981 en 1991, de Enquête naar de arbeidskrachten van 2002 en 2003, de gegevens van de VDAB, en een steekproef van personen in het Datawarehouse Arbeidsmarkt gekoppeld aan de Rijksregistergegevens van 1998. Arbeidsmarktonderzoek op basis van deze databanken kampt echter met drie problemen en de meerwaarde van het boek dient dan ook in het licht van deze problemen geëvalueerd te worden.
Allereerst kan men op basis van deze databanken enkel gebruik maken van de nationaliteit en/of het geboorteland van de respondent om de etniciteit te bepalen (de uitzondering hierop is de werkwijze van naamherkenning bij de VDAB-gegevens). De eerste generatie migranten – en sinds Verhoeven (2000) ook de genaturaliseerden – kunnen hierdoor statistisch opgespoord worden. Sinds de invoering van het wetboek van nationaliteit in 1984 is echter iedereen wiens vader of moeder Belg is (al dan niet genaturaliseerd) bij geboorte automatisch ook Belg. Hierdoor wordt de tweede generatie statistisch onzichtbaar, want in België geboren en Belg van nationaliteit. Deze personen hebben ongeveer vanaf 2002 hun intrede gemaakt op de arbeidsmarkt en kunnen op basis van de bestaande databanken dus niet opgespoord worden.
Het tweede probleem betreft de beschikbare indicatoren van de arbeidsmarktpositie. Onderzoek heeft op basis van de bestaande databanken etnische verschillen kunnen aantonen in de werkzaamheids- en de werkloosheidsgraad, de duur van het zoeken naar een job, het loon, het arbeidsregime en de sectorale verdeling. Telkens stelde men een etnostratificatie vast met drie strata, waarbij de etnische Belgen de beste positie bekleden, de personen van Europese afkomst een middenpositie innemen, en personen van Turkse of Noord-Afrikaanse afkomst de hekken sluiten. Door het gebrek aan data was uitgebreid onderzoek naar het bestaan van een etnostratificatie op functie- en jobniveau echter nog onbestaande.
Het derde probleem situeert zich op vlak van de beschikbare verklarende variabelen. Bovenstaande etnostratificatie werd tot nu toe enkel empirisch verklaard door middel van de etnische verschillen in opleiding, leeftijdsstructuur, vestigingspatroon en/of familiesituatie (Neels & Stoop, 2000; Phalet & Swyngedouw, 2003). Aanvullend waren er een aantal kleinere studies naar het voorkomen van discriminatie. Het was/is in Vlaanderen echter nog steeds wachten op systematisch onderzoek naar de rol van sociale klasse, sociaal kapitaal, en culturele patronen ter verklaring van de achterstelling van etnische minderheden op de arbeidsmarkt.
De verdienste van de auteurs is dat ze met deze studie vooruitgang hebben geboekt op vlak van deze drie probleempunten. Voor hun onderzoek maakten ze gebruik van de longitudinale SONAR-dataset met gegevens over de arbeidsmarktintrede van ca. 9000 Vlaamse jongeren. Voor de jongeren geboren in 1976, 1978 en 1980 werden uit het Rijksregister aselecte steekproeven getrokken van ongeveer 3000 personen per geboortejaar. Deze personen werden bevraagd op 23-jarige leeftijd. De respondenten geboren in 1976 en 1980 werden vervolgens opnieuw bevraagd op 26-jarige leeftijd en de 1976-cohorte nogmaals op 29-jarige leeftijd. De etniciteit van een respondent kon in het SONAR-onderzoek bepaald worden op basis van de nationaliteit en het geboorteland van de respondent, de nationaliteit en het geboorteland van de grootmoeder (langs moederszijde), en de belangrijkste taal die thuis wordt gesproken. Uit de beschrijvende statistieken blijkt dat de dataset voornamelijk etnische minderheden van de tweede of derde generatie bevat (72,1% van de personen van niet-Belgisch afkomst is in België geboren en 81,7% heeft de Belgische nationaliteit). Met deze studie krijgen we dus informatie over de ‘statistisch onzichtbare’ tweede en derde generatie.
Verder bevestigt de studie terug de etnostratificatie op de Vlaamse arbeidsmarkt. Jongeren van Turkse en Noord-Afrikaanse afkomst zijn een jaar na schoolverlaten drie keer zo vaak niet-werkend in vergelijking met etnische Belgen, en twee keer zo vaak als de jongeren van Zuid-Europese herkomst. Dezelfde etnische hiërarchie vindt men terug in de werkloosheidsduur en het statuut, het contract en het loon van de eerste baan. De etnische verschillen in het arbeidsregime zijn echter niet significant. Op basis de SONAR-data kunnen de auteurs ook de etnische verschillen in de kenmerken van de eerste baan nagaan. Uit de analyses blijkt dat jongeren van vreemde afkomst meer aangeven dat hun opleidingsniveau te hoog is voor de functie die ze uitvoeren en dat de inhoud van hun opleiding helemaal niet past voor de baan. Bovendien is de beroepsstatus en de kans op het bemachtigen van een uitdagende baan (geoperationaliseerd aan de hand van een samengestelde maat) voor jongeren van Turkse en Noord-Afrikaanse afkomst veel kleiner dan die van etnische Belgen. De jongeren van Zuid-Europese origine bekleden hier terug een middenpositie. De auteurs tonen in hun studie met andere woorden voor het eerst in Vlaanderen aan dat de etnostratificatie zich ook op jobniveau doet gelden.
Het doel van het onderzoek was om na te gaan in hoeverre bovenstaande etnostratificatie verklaard kan worden aan de hand van etnische verschillen in het opleidingsniveau en de sociaal-economische achtergrond. De sociaal-economische achtergrond werd gemeten aan de hand van de werksituatie (werkend vs. niet-werkend) en het onderwijsniveau van de vader op het moment dat de jongeren het secundair onderwijs verlieten. Deze werkwijze is echter niet onproblematisch. Allereerst kan men zich de vraag stellen waarom enkel de vaderlijke achtergrond in rekening werd gebracht. Was het niet beter geweest om het hoogste onderwijsniveau en de beste werksituatie van de ouders te gebruiken? De dataset bevat de nodige informatie hiervoor en deze maat zou een meer genuanceerd beeld geboden hebben van de beschikbare culturele en economische kapitaalsmiddelen. Ten tweede is het opmerkelijk dat er enkel een onderscheid werd gemaakt tussen de niet-werkende en de werkende vaders en dat deze laatste categorie niet verder gedifferentieerd werd. De levenskansen van een kind van een manager zijn immers niet dezelfde als deze van een kind van een arbeider aan de band. Doorgaans wordt in stratificatieonderzoek de mate van sociale (im)mobiliteit gemeten aan de hand van theoretisch gefundeerde maten (Crompton 2008). In dit onderzoek wordt sociale klasse echter noch theoretisch noch empirisch geïntegreerd. De nodige informatie was nochtans beschikbaar in de dataset. Aangezien onderzoek naar de rol van sociale klasse ter verklaring van de etnostratificatie op de Vlaamse arbeidsmarkt nog onbestaande is, is dit een gemiste kans.
Uit de analyses blijkt dat het opleidingsniveau van de respondent, en het opleidingsniveau en de werksituatie van de vader slechts ten dele de etnostratificatie op de arbeidsmarkt kunnen verklaren. Hoewel de etnische verschillen in het beroepsprestige en de omstandigheden van de eerste baan volledig verklaard kunnen worden door deze factoren, blijft nog steeds een deel van de etnische verschillen in de werkloosheidsduur en de mate waarin de eerste baan uitdagend is, onverklaard. Na controle voor deze factoren zijn de kansen van jongeren van Turkse of Noord-Afrikaanse origine om werk te vinden zelfs nog steeds twee keer kleiner dan deze van hun Belgische tegenhangers. Het effect van etnische herkomst is bovendien sterker voor vrouwen dan voor mannen. In lijn met voorgaand onderzoek onderstrepen de analyses wel de belangrijke rol van het eigen opleidingsniveau voor een succesvolle intrede op de arbeidsmarkt. Opmerkelijk is verder dat de etnische verschillen in het loon van de eerste baan door de auteurs niet verklaard zijn geweest.
Rest ons de vraag door wat de resterende etnische verschillen wel verklaard kunnen worden? De auteurs stellen in dat verband dat de resterende verschillen vermoedelijk “te wijten zijn aan discriminatie op de arbeidsmarkt (vraagzijde) of aan culturele verschillen of oriëntaties (aanbodzijde)” (p. 97). Wat de aanbodzijde betreft, zijn er toch drie opmerkingen op hun plaats. Ten eerste, gezien de sociale klasse van de ouders niet adequaat gemeten is geweest, kunnen sociaal-economische verklaringen op basis van dit onderzoek nog niet uitgesloten worden. Ten tweede blijven andere niet-culturele verklaringen aan de aanbodzijde ongetoetst. Zo is het niet onmogelijk dat verschillen in het beschikbaar sociaal kapitaal (de jobinformatie, sociale steun en invloed ingebed in sociale netwerken) een cruciale rol spelen (zie Lin 2001). De auteurs bespreken deze hypothese kort in het begin van hun boek (pp. 60-61), maar categoriseren ze naar mijn mening verkeerdelijk onder een culturele verklaring. Ten derde, wat de culturele verklaringen betreft, verwijzen de auteurs naar “de [meer] traditionele rollenpatronen en opvattingen” (p. 97) van etnische minderheden. Onder meer de vroegere huwelijksleeftijd en het gemiddeld grotere kinderaantal worden als mogelijke oorzaken aangehaald voor de terugtrekking van de arbeidsmarkt van Turkse en Marokkaanse vrouwen (p. 60). Hoewel onderzoek inderdaad aantoont dat het huwelijk de economische activiteit van vrouwen van niet-Belgische afkomst significant beperkt, blijven de etnische verschillen na controle voor de huwelijksstatus, de leeftijdsstructuur en het onderwijsniveau nog significant (Phalet & Swyngedouw 2003). Tot verder onderzoek het tegendeel bewijst, is het dus nog wat kort door de bocht om de resterende etnische verschillen aan aanbodzijde aan culturele factoren te wijten.
Niettegenstaande deze opmerkingen verdient deze studie zeker een plaats op de boekenplank. Het onderzoek biedt inzicht in de arbeidsmarktintrede van de tweede en derde generatie. Verder wordt de etnostratificatie op jobniveau voor het eerst in Vlaanderen aangetoond. Tenslotte onderstreept het opnieuw de belangrijke rol van onderwijs voor het welslagen op de arbeidsmarkt.
Deze boekbespreking werd in licht gewijzigde versie eerder gepubliceerd in:
Tijdschrift voor Sociologie, 2009, 30 (3), 321-325.
Referenties
Crompton, R. (2008). Class and stratification. Cambridge: Polity Press (3rd edition).
Lin, N. (2001). Social capital. A theory of social structure and action. Cambridge: Cambridge University Press.
Neels, K. & Stoop, R. (2000). Reassessing the ethnic gap: employment of younger Turks and Moroccans in Belgium. In R. Lesthaeghe (ed.), Communities and generations. Turkish and Moroccan populations in Belgium (pp. 279-319). VUB University Press.
Phalet, K. & Swyngedouw, M. (2003). Measuring immigrant integration: the case of Belgium. Migration Studies, 152, 773-803.
Verhoeven, H. (2000). De vreemde eend in de bijt. Arbeidsmarkt en diversiteit. Leuven: WAV-dossier.