Dit boek is het (voorlopige) sluitstuk van een longitudinaal onderzoek naar de onderwijs- en arbeidsloopbanen van etnische minderheden in Vlaanderen. In de eerste twee boeken – ‘Wit krijt schrijft beter’ en ‘Zwart op wit’ (voor een recensie, zie hier) – werden er op basis van kwantitatieve analyses van de SONAR-data uitspraken gedaan over de etnische verschillen in Vlaanderen in de overgang van de school naar de arbeidsmarkt. Uit deze analyses bleek dat voornamelijk veel vrouwen van Turkse en Marokkaanse afkomst moeilijkheden ondervonden op school en de arbeidsmarkt. In dit boek laten de auteurs zes van deze vrouwen aan het woord om de kwantitatieve resultaten wat meer te kunnen kaderen.

Het doel van de studie was meer inzicht te verwerven in de achterliggende processen die de erg opvallende trajecten van Turkse en Marokkaanse vrouwen mee vorm geven. Wat zijn de belangrijkste belemmeringen voor een volwaardige participatie van deze vrouwen aan het onderwijs en op de arbeidsmarkt? En zijn er ook specifieke opportuniteiten? Welke rol spelen genderrelaties hierin? Gezien de enorme hoeveelheid kwantitatieve informatie waarover ze reeds beschikken in het kader van het SONAR-onderzoek, was het voor de auteurs niet de bedoeling om op basis van de interviews tot theoretische saturatie te komen. De generaliseerbaarheid van de bevindingen uit de interviews was ook niet het opzet. Het doel van het boek was om de voorgaande kwantitatieve bevindingen wat meer te duiden door middel van een beknopte literatuurstudie en de getuigenissen van zes Turkse en Marokkaanse vrouwen. De literatuur kaderde dus de levensverhalen van de zes vrouwen en hun verhalen maakten op hun beurt de literatuurstudie minder droog om te lezen. Het is deze combinatie die van dit boek een aangenaam en boeiend werk maakt om te lezen.

De zes vrouwen werden geselecteerd uit de Turkse en Marokkaanse vrouwelijke respondenten die zowel op 23-, 26- en 29-jarige leeftijd aan de SONAR-bevraging deelnamen. Slechts 19 vrouwen voldeden aan deze criteria. Van deze groep slaagden de onderzoekers erin om er zes te interviewen: vier Marokkaanse en twee Turkse vrouwen. Het kleine aantal respondenten in dit kwalitatieve vervolgonderzoek was dus eerder ingegeven uit noodzaak dan uit een bewuste inhoudelijke keuze. Men kan zich wel de vraag stellen waarom er geen bijkomende sampling is gebeurd uit de oorspronkelijke groep respondenten (deze die enkel op 23-jarige leeftijd aan het SONAR-onderzoek deelnamen) of uit het bevolkingsregister? De enige reden waarom de selectie beperkt werd tot de personen die op de drie tijdstippen aan het onderzoek deelnamen, is dat er van deze personen reeds heel wat kwantitatieve informatie over de school- en arbeidsloopbaan voor handen was. Deze informatie kon echter ook via de kwalitatieve interviews verkregen worden. Mijns inziens is er hier een kans gemist.

Het resultaat is – zoals de auteurs ook zelf stellen – dat de zes geïnterviewde vrouwen bezwaarlijk als ‘representatief’ voor de Turkse en Marokkaanse gemeenschap beschouwd kunnen worden. Drie geïnterviewde Marokkaanse vrouwen zijn hooggeschoold (waarvan één via sociale promotie) en waren op 29-jarige leeftijd nog steeds ongehuwd. Eén van deze vrouwen heeft een Belgische moeder en groeide zonder haar Marokkaanse vader op in een ‘volledige autochtone context’. De vierde Marokkaanse vrouw verliet vroegtijdig het secundair onderwijs en is gehuwd. Alle vier de vrouwen werkten op 29-jarige leeftijd. De twee geïnterviewde Turkse vrouwen hebben enkel een diploma van het BSO of TSO, zijn beiden gehuwd met een Turkse huwelijksmigrant, en werkten niet op 29-jarige leeftijd (hoewel ze wel gedurende een korte periode gewerkt hebben).

De zes vrouwen werden bevraagd over hun levensloop. Om deze biografische interviews min of meer vergelijkbaar te maken, werden ze gestructureerd aan de hand van een topiclijst en een tijdsbalk. De focus van de interviews lag voornamelijk op het achterhalen van de precieze overwegingen die een rol speelden bij de verschillende keuzemomenten van de vrouwen en de rationale achter de verschillende stappen. Uit het methodologische deel komen we helaas weinig te weten over de interviewers zelf. Werden alle vrouwen door dezelfde persoon geïnterviewd of niet? Was die interviewer de mannelijke auteur of één van de vrouwelijke auteurs (niet onbelangrijk voor interviewereffecten)? Werden de laaggeschoolde respondenten in hun getuigenissen beïnvloed door de hoge scholingsgraad van de interviewers zelf? Door dit gebrek aan informatie kan de lezer moeilijk de kwaliteit van het interviewproces inschatten.

Uit de voorgaande kwantitatieve analyses bleek dat Turkse en Marokkaanse meisjes sterk oververtegenwoordigd zijn in het beroepsonderwijs, door zowel vroege als latere keuzes tijdens de schoolloopbaan. Ze hebben ook een lagere kans op het behalen van een secundair diploma en beperkte kansen op het volgen en (succesvol) afronden van hoger onderwijs. De kwalitatieve interviews verschaffen een aantal mogelijke verklaringen voor deze bevindingen.

Een eerste struikelblok vormt reeds de keuze van de school en de studierichting. Door hun beperkte kennis van het Vlaamse onderwijssysteem baseren de ouders zich bij de keuze van de school meestal op praktische criteria, zoals de afstand van de school tot de woonplaats. Dit ‘lokalisme’ beperkt ook de keuze van de onderwijsvorm. Hoewel de literatuur suggereert dat de etnische samenstelling van de school ook een factor is bij de keuze van de school, komt dit niet naar voren uit de interviews. Dit is niettemin een thema dat meer (kwalitatief) onderzoek vereist.

De keuze van de studierichting wordt doorgaans door de Turkse en Marokkaanse leerlingen zelf gemaakt. Uit de literatuur blijkt dat Turkse en Marokkaanse meisjes (net zoals de Belgische meisjes trouwens) oververtegenwoordigd zijn in vrouwelijke studierichtingen zoals personenzorg, lichaamsverzorging, handel en kantoor. Als verklaring hiervoor wijzen de geïnterviewde vrouwen voornamelijk op de praktische voordelen van de gekozen studierichting: bij problemen kan men bij de moeder terecht en later komen de aangeleerde vaardigheden ook van pas. Deze voorkeur voor praktische studierichtingen leidt de meisjes af van het ASO waarin vooral het abstracte denken hoog aangeschreven staat. Daarnaast is ‘iemand anders’ kennen die de studierichting reeds volgt ook een overweging bij het maken van de studiekeuze.

Op basis van deze bevindingen pleiten de auteurs voor een goede of betere begeleiding bij de (her)oriëntering voor etnische minderheden, en bij uitbreiding voor alle leerlingen uit achtergestelde milieus. Vermits een aantal ouders geen of moeilijk richting (kan) geven bij de planning van de onderwijsloopbaan, is een duidelijke studieoriëntatie door de CLB’s uiterst belangrijk.

Uit de interviews blijkt verder de zeer specifieke invulling die aan ‘afstuderen’ gegeven wordt. ‘Afstuderen’ betekent hier niet hogere studies maar wel middelbaar onderwijs afronden. Dat is met andere woorden al een mooie verwezenlijking en een eerste doel. Deze minder hoge onderwijsaspiraties zijn een product van een laag- tot middengeschoolde omgeving, waarin verder studeren eerder als een afwijking dan als norm beschouwd wordt. Het praktische nut er van wordt ook niet altijd ingezien. Op basis van de literatuur verwijzen de auteurs in dit verband naar het concept van ‘relationele autonomie’. Bij Turkse en Marokkaanse vrouwen worden levensloopbeslissingen veel meer genomen tegen de achtergrond van de opvattingen van de (directe) omgeving.

Natuurlijk speelt de achterstand die veel Turkse en Marokkaanse meisjes reeds in het secundair onderwijs opliepen ook een belangrijke rol bij de beslissing om al dan niet verder te studeren. De auteurs pleiten daarom voor de invoering van een voorbereidend jaar voor de aanvang van het hoger onderwijs. Daarnaast breken ze ook een lans voor meer ervaringsgericht onderwijs. Uit de literatuur blijkt dat de culturele afstand en de elitaire aspecten van het universiteitswezen het socio-economisch gedepriveerde etnische minderheden moeilijker maken om aansluiting te vinden bij het academische milieu. Eén van Marokkaanse vrouwen vertelt bijvoorbeeld dat ze na een onsuccesvolle start aan de universiteit wel haar draai vond in een opleiding van het tweedekansonderwijs. Niet alleen omdat het niveau meer aangepast leek, maar ook omdat de vorm en de stijl van lesgeven beter aansloten bij haar verwachtingen en haar leefwereld.

Wat de arbeidsmarktervaringen van Turkse en Marokkaanse vrouwen betreft, bleek uit het voorgaande kwantitatieve studiemateriaal dat zelfs wanneer ze hetzelfde onderwijsniveau behalen als Belgische vrouwen, het gemiddeld langer duurt alvorens ze in eerste baan starten en, wanneer ze een baan hebben, de job minder uitdagend is, een lager beroepsprestige heeft, en vaker slechte werkomstandigheden kent. De auteurs gebruiken opnieuw de interviews om dit cijfermateriaal te duiden.

Bij de initiële zoektocht naar werk ondervinden de geïnterviewden een aantal moeilijkheden waarmee veel laaggeschoolde schoolverlaters kampen (zowel allochtonen als autochtonen). Ze wijzen op het gebrek aan werkervaring, de lage scholing of verkeerde scholing, en het enkel krijgen van jobs waarop anderen neerkijken (zoals poetsvrouw) en/of jobs in precaire omstandigheden. Deze ‘algemene’ moeilijkheden worden echter aangevuld met een specifieke hindernis gerelateerd aan de religie van de vrouwen. Eén van de Turkse geïnterviewde vrouwen verwijst expliciet naar de negatieve houding van potentiële werkgevers tegenover haar hoofddoek. Ook op de werkplek worden ze verder negatief benaderd omwille van hun religie. Er is voornamelijk veel onbegrip ten opzichte van het dragen van een hoofddoek en het volgen van de ramadan.

De hoogopgeleide geïnterviewden daarentegen, maken een erg vlotte overgang van school naar werk. Deze vrouwen nuanceren tijdens de interviews ook het probleem van discriminatie. Zelf hebben ze er alvast geen hinder van ondervonden. Ze verwijzen niettemin meteen naar hun broers en naar het feit dat het voor allochtone mannen veel moeilijker is om vooroordelen te overwinnen. Uit het literatuuroverzicht blijkt inderdaad dat Marokkaanse mannen vaker geconfronteerd worden met feitelijke discriminatie dan Marokkaanse vrouwen.

Doordat de gezinsvorming een belangrijke invloed heeft op de loopbaan van vrouwen, wordt er in de interviews expliciet hiernaar gepolst. Uit het literatuuroverzicht blijkt reeds de traditioneel vroege huwelijksleeftijd bij (voornamelijk laaggeschoolde) Turkse en Marokkaanse vrouwen en de norm om vroeg na het huwelijk kinderen te krijgen. Een populaire redenering is dan dat deze sterke moederschapsideologie en de traditionele genderideologie de terugtrekking van de Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt veroorzaakt. Interessant is echter dat er ook een alternatieve en minder gehoorde hypothese uit de interviews naar voren komt: de slechte en weinig gewaardeerde arbeidsmarktpositie van de vrouwen doet hen kiezen voor de meer gewaardeerde rol van niet-werkende moeder en reproduceert zo de sterke moederschapsideologie. Economen spreken reeds sinds Becker over de ‘economische rationaliteit’ van dit beslissingsproces voor laaggeschoolde vrouwen. Deze wordt hier dus aangevuld met een meer sociaal-psychologische verklaring.

Het verhaal van de Turkse Emine illustreert dit proces. Ze ervoer tijdens haar sollicitaties discriminatie omwille van haar hoofddoek en gaf uiteindelijk de initiële zoektocht naar werk op. Nadien is ze vrij vlug onder druk van haar familie op vroege leeftijd getrouwd met een man uit Turkije. Het eerste kind volgde ook al snel. Na dit eerste kind wou Emine zich terug focussen op haar arbeidsrol. Door de slecht omstandigheden van haar job (onregelmatig interimwerk) valt ze echter al snel terug op de zorgrol van moeder. “Ik dacht bij mezelf ‘ja maar, hoe lang gaat dat nu nog duren?’ En dan is het tweede [kind] waarschijnlijk gekomen…”.

Tijdens de interviews werd er ook dieper ingegaan op de combinatie van arbeid en gezin. Door hun sterke moederschapsideologie willen de meeste geïnterviewde vrouwen zelf instaan voor de opvoeding van hun kinderen. Dat maakt hun participatie aan de arbeidsmarkt natuurlijk minder evident. Opmerkelijk is dat er bij deze vrouwen ook een groot wantrouwen bestaat ten opzichte van de formele kinderopvang. Daarnaast zijn er ook praktische belemmeringen. De wachtlijsten in het huidige systeem van kinderopvang gaan uit van een normatief levenslooppatroon waarbij vrouwen eerst werken voor ze een gezin starten. Het hebben van werk en het regelmatig komen naar de kinderopvang zijn er bovendien de voorwaarden. Laaggeschoolde Turkse en Marokkaanse vrouwen volgen echter vaak een ander patroon: ze krijgen eerst kinderen en zoeken dan (terug) een job. Wanneer deze vrouwen dan werk vinden, hebben ze onmiddellijk opvang nodig. Het feit dat ze vaker in onstabiele jobs terechtkomen, bemoeilijkt het vinden van kinderopvang nog meer.

Het boek ‘Gekleurd door het leven’ kan de moeilijke trajecten van Turkse en Marokkaanse vrouwen op de school en de arbeidsmarkt niet verklaren. Dat was echter ook niet de bedoeling van de auteurs. Het boek biedt aan de hand van zes kwalitatieve interviews en een beknopte literatuurstudie een aantal mogelijke verklaringspistes voor de in voorgaande statistische analyses gevonden patronen. Deze mixed-method benadering verdient een pluim. De beleidsaanbevelingen maken het boek bovendien ook voor niet-academici leerrijk. Zoals ieder stimulerend boek biedt het inzichten, maar roept het ook nieuwe vragen bij de lezer op. Wat is de invloed van de etnische en sociaal-economische schoolcompositie op de keuze van een school en een studierichting? Verschillen Turkse en Marokkaanse vrouwen in hun visie op het moederschap, huwen en de combinatie van arbeid en gezin? Welke hulp biedt het sociale netwerk van deze vrouwen bij het zoeken naar werk? Het boek smaakt met andere woorden naar meer.

Glorieux, I., Koelet, S., Laurijssen, I. (2011). Gekleurd door het leven. Getuigenissen van jonge Turkse en Marokkaanse vrouwen over hun schooljaren en eerste ervaringen op de arbeidsmarkt. Antwerpen: Garant.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in het Tijdschrift voor Sociologie, 32 (2).