Sinds Guy Standing in 2011 zijn boek The Precariat: The New Dangerous Class uitgaf, toerde hij de halve wereld rond om voordrachten te geven en discussies bij te wonen. Het boek brengt heel wat in beweging, zowel bij maatschappelijke organisaties als in wetenschappelijke kringen. Ondanks het feit dat het boek voor een breed publiek is geschreven en dat wetenschappelijke referenties tot een minimum beperkt zijn, nodigde het tijdschrift Work, Employment and Society onlangs verschillende vooraanstaande onderzoekers uit om hun licht te werpen op het boek. Deze besprekingen behandelden enkele theoretische punten over het begrip ‘klasse’ en bekritiseerden het gebrek aan empirische bewijzen. Na een beknopte bespreking van de algemene boodschap van The Precariat reflecteren we hier kort over enkele van de voorgestelde oplossingen van Standing.

De basisstelling van The Precariat is dat er een nieuwe sociale klasse ontstaat, het precariaat. Het precariaat wordt door Standing breed omschreven als alle personen die een gebrek hebben aan zeven werkgerelateerde zekerheden, gaande van werkzekerheid, over inkomensonzekerheid tot zekerheid van vertegenwoordiging. Tot het precariaat behoren daarmee grote groepen jongeren die moeilijk een permanent contract krijgen, vrouwen die zich door hun ‘driedubbele belasting’ vaak tevreden moeten stellen met parttime jobs zonder carrière-uitzichten, ouderen die langer moeten werken maar te veel kosten voor werkgevers, etnische minderheden die hun kansen op de arbeidsmarkt gefnuikt zien worden door discriminatie, gehandicapten en ex-gevangenen. Het is duidelijk dat het precariaat volgens Standing een zeer brede en diverse groep is . Het is dan ook geen bestaande klasse, maar eerder een klasse in wording (‘class-in-the-making’) (p. 25). Het precariaat is aanwezig, is divers en is boos. Het precariaat is ook een ‘gevaarlijke klasse’, want intern sterk verdeeld. Bepaalde delen van het precariaat laten zich gemakkelijk leiden door rechts populisme en het daarmee verbonden ‘politics of inferno’. Het precariaat is dus géén vector van verandering. Het is eerder een dreiging die verandering ten goede (een ‘politics of paradise’) in gang moet zetten. Verandering die het ontwikkelen van een echte precaire klasse moet voorkomen. Want laat het duidelijk zijn, Standing ziet het precariaat niet als een klasse die moet of zal zorgen voor een grote revolutie of omwenteling. Een actieve, politiek bewuste precaire klasse zou een vector van verandering kunnen zijn, maar dit wordt nauwelijks besproken in het boek. Standing wil eerder voorkomen dan genezen. De belangrijkste reden voor het ontstaan van het precariaat is volgens Standing de recente neoliberale globalisering en zijn constante nadruk op het belang van arbeidsmarktflexibilisering. Dit zorgt ervoor dat grote categorieën werknemers (jongeren, ouderen, migranten en anderen) een manifest gebrek aan ‘zekerheid’ kennen en ook verschillende sociale en politieke rechten missen. Het precariaat is met andere woorden een klasse van ‘denizens’ (personen met minder rechten dan de gewone ‘citizens’). Standing bespreekt uitvoerig de sociale, psychologische en maatschappelijke gevolgen van de neoliberale transformatie, maar als het over oplossingen gaat, concentreert Standing zich op het gebrek aan twee ‘meta-zekerheden’: de zekerheid van een bepaald basisinkomen, en de zekerheid van een stem (‘voice’) in de maatschappij. Ondanks het feit dat volgens Standing arbeidsmarktflexibilisering en globalisering aan de basis liggen van de ontwikkeling van het huidige precariaat, wil hij dus de klok niet terugdraaien. Zo stelt Standing (p. 31) dat ‘flexible labour relations are an imperative in the global labour process. We must understand what is entailed (…) to identify what would be needed to make them tolerable.’ De basisoplossing die Standing voorstelt om het precariaat inkomens- en voice-zekerheid te geven, is het basisinkomen: een onconditioneel inkomen dat maandelijks toegewezen wordt aan alle inwoners van een land/regio. Dit basisinkomen zorgt voor de noodzakelijke inkomenszekerheid, maar versterkt tegelijk de onderhandelingspositie van het precariaat, dat niet meer elke job onder elke voorwaarde moet aannemen. Het versterkt dus ook de ‘voice’ van het precariaat.

Het is vreemd dat de voorgestelde oplossingen deels losstaan van de eerdere uitgebreide analyse van het probleem en zijn oorzaken. Hoewel Standing het heeft over ‘the politics of paradise’, lijken de voorstellen eerder gericht op het beheersbaar maken van de situatie dan op het remediëren van het probleem. Standing wil namelijk af van de typisch ‘travaillistische’ benadering die de huidige flexibiliseringstendens wil tegenhouden en terugdraaien. Standing verwijt de travaillistische vakbonden en partijen oubollig jobfetisjisme (p. 163). Wat volgens Standing écht progressief is, is de volledige vermarkting van de arbeidsmarkt waarbij arbeid écht een ‘goed’ wordt als een ander. Natuurlijk staat deze wens niet los van Standings pleidooi voor een basisinkomen waardoor iedereen minder afhankelijk wordt van betaalde arbeid en dus een betere onderhandelingspositie heeft op de arbeidsmarkt. Toch blijft het een ferm standpunt voor een graag geziene gast in vakbondskringen. The Precariat biedt dus zeker stof tot nadenken. Standing neemt vaak een duidelijke stelling in en ontwikkelt een scherpe kritiek op het neoliberalisme. Daartegenover staat dat hij niet nalaat om een stevige schop te verkopen aan enkele heilige linkse huisjes. Het boek leest vlot, maar kampt met een overvloed aan anekdotische voorbeelden en een gebrek aan degelijk onderbouwd cijfermateriaal. Dit is jammer, want enerzijds doet de referentielijst van Standing vermoeden dat er wel degelijk wetenschappelijk onderzoek achter de meeste stellingen zit, en anderzijds verdwijnen sommige waardevolle inzichten in de vracht beschrijvingen van beleid, acties en tendensen uit alle hoeken van de wereld.

Deze bespreking verscheen eerder in het Tijdschrift voor arbeidsvraagstukken.