Al lang wordt er nagedacht over een kortere werkweek. Reeds in de geschriften van Karl Marx vinden we verwijzigingen naar een toekomstig ‘communistisch utopia’ waarbij aan alle basisbehoeften wordt voldaan en de mens – bijgevolg – zijn arbeidstijd sterk kan verminderen.

Een al even boude voorspelling vinden we terug in het werk van John Maynard Keynes. In zijn bekend essay ‘Economic Possibilities for our Grandchildren’ (1930) voorspelde hij dat over 100 jaar (d.w.z. 2030) de levensstandaard vier tot acht keer hoger zou liggen. Dat lijkt waarheid te worden. Echter, hij geloofde ook dat een 15-urenwerkweek in het verschiet lag.

Keynes ging ervan uit dat we als gevolg van de toenemende welvaart en productiviteit ‘tijd gingen kopen voor onszelf’. Is het in die optiek niet wenselijk om meer tijd te hebben voor onszelf en ons gezin? En hoe organiseren we dat dan: via individuele regelingen of via een collectieve verkorting van de arbeidsduur?

De denktank Poliargus publiceerde recent een uitgebreide studie waaruit blijkt dat een kortere werkweek effectief kan bijdragen tot een grotere gendergelijkheid en dat daarenboven op korte termijn stappen kunnen worden gezet. In een periode van vijf jaar is de overgang naar een 35-urenwerkweek haalbaar.

Debat is terug van weggeweest

De kortere werkweek is terug in het maatschappelijk debat. Net als in de jaren ’80 zien sommigen collectieve arbeidsduurverkorting als een middel om werkloosheid te bestrijden.

Interessant is echter dat er de laatste tijd ook nieuwe elementen aan het debat werden toegevoegd. Rutger Bregman legt bijvoorbeeld expliciet de link met een universeel basisinkomen. Mensen zouden dan enkel werken als ze dat echt willen en zullen bijgevolg hun arbeidstijd beperken.

Steeds meer opiniemakers zien ook een belangrijke genderdimensie. Als de mensen minder uren actief zijn op de arbeidsmarkt, blijft er meer tijd over voor het gezin en zullen vrouwen niet verplicht worden om hun arbeidstijd te beperken. Het Vrouwen Overleg Komitee (VOK) lanceerde net als Femma het voorstel van een 30-urenwerkweek. Uit onderzoek van Eurofound blijkt dat vrouwen in de Europese Unie 30 uur als de ideale werkweek beschouwen. Zo zijn ze in staat om arbeid en gezin te combineren, zonder een stap terug te moeten zetten op de arbeidsmarkt.

Hoe arbeid en gezin combineren?

De reacties op het voorstel van Femma tonen aan hoe gevoelig het debat ligt. UNIZO verklaarde meteen dat het idee ‘van een andere planeet komt’. Meer ook heel wat ouders zagen zich geroepen om zich te mengen in het debat, gaande van het ‘prototype carrièrevrouw’ tot de ‘bumpervader’.

Het grote probleem is dat iedereen zich persoonlijk aangesproken voelt en dat ouders nogal vlug hun eigen keuzes verdedigen. Het gaat er immers niet over dat moeders (of vaders) die een stap terugzetten niet zouden voldoen aan een normatief tweeverdienersmodel. Neen, het gaat erover hoe we als samenleving arbeid en gezin willen combineren. Dat brengt ons bij een cruciale vraag: doen we dat via individuele regelingen of organiseren we het op een collectieve manier?

De keuze voor een individueel of een collectief systeem is allesbehalve neutraal. De denktank Poliargus ijvert voor een collectief stelsel, aangezien dat beter is voor positie van de vrouw op de arbeidsmarkt. De Franse ervaring leert ons dat een kortere werkweek gepaard gaat met een afname van het deeltijds werk. Daarenboven bieden de individuele onderbrekingsstelsels geen oplossing voor het ‘glazen plafond’ waar vrouwen tegen opboksen, aangezien werkgevers uitgaan van een verlies aan menselijk kapitaal. Het weegt op de verdere carrièrekansen.

Nochtans zien we de laatste decennia in België een focusverschuiving van collectieve naar individuele regelingen. In 1985 werd het stelsel van loopbaanonderbreking ingevoerd. Ongeveer 15 jaar geleden zagen ook de thematische verloven het daglicht. Zonder enige twijfel helpen deze stelsels om arbeid en gezin beter te combineren.

De huidige problematiek is echter tweeërlei. Allereerst, in de praktijk is looponderbreking een typisch vrouwelijke zaak. Mannen die deeltijds of voltijds onderbreken, is eerder zeldzaam. Het lijkt dus eerder genderrollen te bestendigen. Ten tweede, het stelsel van tijdskrediet / loopbaanonderbreking is een toonvoorbeeld van een Matteüseffect. Een studie van het Centrum voor Sociaal Beleid (UA) toonde aan dat het stelsel vooral ten goede komt aan hoogopgeleide ouders uit een tweeverdienersgezin. Voor een alleenstaande ouder is tijdskrediet geen optie, een tweede inkomen is vaak een noodzaak.

Eigenlijk zijn er nu twee strategieën mogelijk. Ofwel verhogen we de uitkeringen (fors) en denken we na over manier om mannen en laaggeschoolden ook gebruik te laten maken van het stelsel. Ofwel organiseren we onze arbeidstijd op een fundamenteel andere manier. Dat lijkt ons de beste optie om zo arbeid en gezin op structurele en collectieve wijze in evenwicht te brengen.

Topje van de ijsberg

De impact van de kortere werkweek op de combinatie arbeid & gezin is uiteraard slechts het ‘topje van de ijsberg’. De Poliargus paper gaat in op heel wat andere aspecten van het debat: Draagt het bij tot de werkgelegenheid? Hoe moet het concreet worden ingevoerd? En wat is de precieze impact op gezondheid en de ruimere work life balance?

Wij stellen voor – om net als in Frankrijk – de arbeidsduurverkorting stevig in te bedden in het sociaal overleg. Op basis van verwachte productiviteitsstijgingen lijkt een redactie van één uur per interprofessioneel akkoord realistisch. Als algemeen principe schuiven we loonbehoud naar voor, al zullen voor de laagbetaalde – vaak laagproductieve – jobs in de dienstensector compensaties moeten worden voorzien. Een heroriëntering van bestaande steunmaatregelen aan bedrijven kan hierbij helpen.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd op www.dewereldmorgen.be (4 mei 2015)