De regering Di Rupo I sprak erover, maar kwam nooit tot overeenstemming over de uitvoering. De nieuwe regering Michel I belooft nu alsnog werk te maken van de hervorming van de wet ‘tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen’, ook bekend als de ‘loonnormwet’ of de ‘wet van 1996’. Dat is een gevaarlijk voornemen.

Wat regelt de wet nu?

De wet van 1996 regelt in hoofdzaak het principe van een loonnorm. Ze legt vast dat er tweejaarlijks onder sociale partners een loonnorm wordt afgesproken, op basis van de verwachte evolutie van de loonkost in de buurlanden. In de praktijk werd er in het kader van het Interprofessioneel Akkoord (IPA) een indicatieve loonnorm afgesproken tussen sociale partners. Daarvoor werd de basis gevormd door de berekeningen van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) over de verwachte loonsevolutie voor de komende twee jaren in de buurlanden.

Tot aan het IPA 2009-2010 was dit steeds een indicatieve loonnorm. Zoals ook aangegeven in art. 8 van de wet van 1996 moet steeds rekening worden gehouden met de economische mogelijkheden (van de sector en bedrijf). Dit wil zeggen dat de loonnorm soepel geïnterpreteerd werd en vaak licht werd overschreden in de sectoren (en bedrijven) die economisch meer rendabel waren.

Wegens de financiële crisis werd in het IPA 2009-2010 voor een eerste keer een striktere norm vastgelegd: een netto koopkrachtverhoging van 125 euro in 2009 en van 250 euro in 2010, in te vullen met extralegale voordelen zoals maaltijdcheques en ecocheques. Zowel voor 2011-2012 als 2013-2014 slaagden de sociale partners er niet in een IPA te sluiten. De regering maakte vervolgens gebruik van de mogelijkheid, voorzien in art 7 van de wet van 1996, om zelf een loonnorm via Koninklijk Besluit (KB) vast te leggen wanneer er geen interprofessioneel akkoord is.

Tot groot protest van de vakbonden betekende het KB dat de norm niet indicatief maar dwingend was. Sectorale en bedrijfscao’s die voorzagen in voordelen die de norm overschreden, waren voortaan in theorie nietig. De regering kondigde ook aan deze cao’s te zullen screenen op overschrijdingen van de loonnorm. Dit gebeurde zowel in 2011-2012 als 2013-2014. De vrijheid van onderhandelen kreeg dus een serieuze knauw, zowel op interprofessioneel niveau (door het opleggen van een bindende loonnorm door de regering,) als op sectoraal niveau (doordat de sociale partners gedwongen werden hun cao’s te beargumenteren om ze algemeen bindend verklaard te krijgen).

Hervormen

Zoals de naam reeds zegt, is het hoofddoel van de wet van 1996 de ‘vrijwaring van het concurrentievermogen’. Uit analyses blijkt inderdaad dat de Belgische concurrentiekracht achteruit gaat. Vandaar, aldus de regering van de ‘kracht van verandering’, de noodzaak tot hervormen van die wet die blijkbaar haar doel voorbijschiet.

Een eerste grote hervorming zal erin bestaan om bij het vaststellen van de loonnorm niet enkel te kijken naar de evolutie in de buurlanden van de komende twee jaren, maar ook naar de evolutie van de afgelopen twee jaren. Concreet houdt dit in dat er een automatische a posteriori correctie moet komen wanneer de lonen in de buurlanden trager zijn geëvolueerd dan verwacht, met een groeiende loonkloof tot gevolg. Deze mogelijkheid tot a posteriori correctie stond al in de wet van 1996, maar werd in de praktijk nooit toegepast. Daarom wil de regering hiervan voortaan een verplichting maken.

Verder wordt het principe herbevestigd dat de regering zelf een loonnorm kan vastleggen via KB bij gebrek aan akkoord onder de sociale partners. Maar zonder het resultaat van de IPA-onderhandelingen 2015-2016 af te wachten, werd nu reeds beslist om een loonstop in te voeren, met uitsluiting van de baremieke verhogingen en individueel onderhandelde loonsstijgingen. Er ontstond de mogelijkheid om deze loonstop te verlengen tot de loonhandicap volledig is weggewerkt.

De hervormde wet zou ten slotte ook een versterkt controle- en sanctiemechanisme voorzien. Sectorale en bedrijfscao’s zullen systematisch gecontroleerd worden op de mate waarin ze de loonnorm respecteren. Vraag is wat de gevolgen zullen zijn van een overschrijding van een loonnorm. Daarover blijft het regeerakkoord stil. In het verleden werd reeds geopperd om bedrijven die de loonnorm niet respecteren een administratieve boete te geven, terwijl bedrijven die de norm wel respecteren zouden moeten kunnen rekenen op een extra loonlastenverlaging.

De juiste weg?

Een eerste belangrijke kritiek op de wet van 1996 is het feit dat concurrentievermogen beperkt wordt tot loonkosten. Het regeerakkoord Michel I en in het bijzonder de passage over de hervorming van de wet van 1996 herbevestigen deze visie. Nochtans stelt het Planbureau dat slechts 1/3 van het Belgische verlies aan marktaandelen in de waarde van de wereldhandel te wijten is aan kostencompetitiviteit. Het gaat hierbij overigens onder meer ook over competitiviteitsverlies door de hoge energiekosten in België. Het verlies aan loonkostencompetitiviteit is vooral een zaak van stijgende lonen in de context van een dalende arbeidsproductiviteit, te wijten onder andere aan een tekort aan investeringen in onderzoek en ontwikkeling en een gebrek aan innovatie. De overige twee derde van het Belgische verlies aan concurrentievermogen is toe te schrijven aan meer structurele elementen, zoals een specialisatie in producten en markten met zwakke groei en een ongunstige geografische oriëntatie van de export.

Een tweede kritiek is dat de wet stelt te willen rekening houden met de economische mogelijkheden van de sector, maar dit in de praktijk totaal niet doet. De hervormde wet zal deze inconsistentie louter versterken. Zo zal de norm op macroniveau (voor alle sectoren) bepaald worden, maar vindt de controle op microniveau plaats (sector en bedrijf). Dit betekent dat er zelfs in sectoren en bedrijven die het economisch goed doen, geen mogelijkheid wordt gelaten voor loonstijgingen. Men kan argumenteren dat dit moet vermijden dat de ongelijkheid tussen de sectoren en dus tussen werknemers toeneemt.

Cynisch is dan echter het feit dat al werd meegedeeld dat individuele loonstijgingen wel nog kunnen, zolang de norm op bedrijfsniveau niet wordt overschreden. Als je het met andere woorden reeds goed hebt (en dus ook beschikt over onderhandelingsmacht), zal je je kunnen verbeteren. Ten koste van de collega’s die minder sterk staan. Dit creëert een bedrijf aan twee snelheden, met gedemotiveerde werknemers en het risico op interne spanningen tot gevolg. Het niet laten meetellen van baremieke verhogingen heeft overigens soortgelijke effecten in bedrijven waar niet alle werknemers ervan kunnen genieten.

Ook wordt er geen rekening mee gehouden dat bepaalde sectoren en bedrijven helemaal niet blootgesteld zijn aan internationale concurrentie en dus geen concurrentieverlies ten gevolge van loonkosten kunnen ervaren. Denk aan diensten aan personen, zoals schoonheidsverzorging.

Bonus

Een a posteriori correctie houdt evenmin rekening met de economische realiteit. Wanneer de economie terug aantrekt, bestaat het gevaar dat de lonen omwille van het verleden niet mogen stijgen. Dit riskeert dan weer de prille heropleving te doen stokken.

Laat ons verder hopen dat de idee in de kast blijft om bedrijven die de norm niet respecteren te beboeten en bedrijven die dat wel doen te belonen (met lastenverlagingen). Dit is immers eveneens tegengesteld aan de economische realiteit. Bedrijven die het goed doen, en hun medewerkers hiervoor belonen, zouden sowieso gestraft worden. Bedrijven die de economische mogelijkheden hebben om hun medewerkers een loonsverhoging tegeven, maar liever winst uitkeren aan de aandeelhouders, zouden worden beloond. Met nadelige gevolgen voor de binnenlandse koopkracht en consumptie tot gevolg.

Een derde kritiek op de hervorming betreft de inbreuk van de regering op het sociaal overleg. Terwijl enerzijds wordt herbevestigd dat de regering enkel in geval van niet-akkoord onder de sociale partners zelf de loonnorm kan vastleggen, wordt dit principe onmiddellijk al geschonden door de aankondiging van een loonstop. Van een georganiseerde mislukking van het sociaal overleg gesproken.

Een laatste kritiek bestaat erin dat de hervormingsplannen maar in één richting gaan: de gewone lonen van de werknemers aanpakken. De uitsluiting van de verloning onder de vorm van aandelen en winstdeelnemingen blijft behouden. De mogelijkheid voorzien in de wet om ook andere inkomsten, zoals de inkomsten van zelfstandigen en vrije beroepen, onderhevig te maken aan de loonnorm, blijft wat het is: een mogelijkheid. Managers die zichzelf wel een mooie bonus willen uitkeren, kunnen dus blijven werken als zelfstandige of via een vennootschap om de loonnorm te omzeilen.

Conclusie

De hervorming van de wet van 1996 wordt voorgesteld als de te nemen stap voor het herstel van het concurrentievermogen van de Belgische economie. Een verhoging van het concurrentievermogen is dan weer broodnodig, opdat onze ondernemingen in staat zouden zijn om welvaart te creëren. Want ‘we kunnen de koek pas verdelen, wanneer die groot genoeg is.’

Ik heb echter geargumenteerd dat de voorgestelde hervorming van de wet van 1996 wel al expliciete verdelingskeuzes maakt. Zo moet de kost van het opkrikken van de concurrentievermogen gedragen worden door de werknemers, terwijl er niks in de plaats wordt geëist qua investeringen in innovatie en opleiding door de werkgever. Nochtans maken kosten slechts 1/3 van het concurrentieverlies uit. Verder wordt de interne ongelijkheid aangemoedigd door het controleren van de loonnorm op microniveau, met concurrentie tussen individuele werknemers tot gevolg. Andere inkomens dan de lonen van werknemers blijven buiten schot, wat eveneens de ongelijkheid verscherpt.

Ten slotte heb ik betoogd dat het opleggen van een dwingende loonnorm over sectoren en bedrijven heen, contradictorisch is aan de wet zelf die stelt rekening te willen houden met de economische realiteit. A posteriori correcties riskeren een herstellende economie terug halt toe te roepen. Ook zijn niet alle sectoren blootgesteld aan internationale concurrentie. Goed boerende ondernemingen krijgen uiteindelijk de mogelijkheid niet om de binnenlandse economie te ondersteunen via koopkrachtverhogingen van hun werknemers.

Deze analyse verscheen eerder op De Wereld Morgen (16 oktober 2014)