De staking van 30 januari verhit nu al meer dan een week de gemoederen. Daarbij ligt de focus spijtig genoeg grotendeels op de staking als actiemiddel en de legitimiteit van de vakbonden. Omdat steeds dezelfde indianenverhalen over stakingen worden gebruikt (en misbruikt), ontkracht dit blogstuk zes mythes die zich bij een deel van de bevolking en opiniemakers genesteld hebben.

 

Mythe 1: De vakbonden richten zich op de verkeerde vijand…

Deze mythe is wijdverspreid. De basisstelling is dat het hier gaat om een conflict tussen de overheid en de vakbonden, waar de “ondernemingen” of “werkgevers” niets mee te maken hebben. Het is volgens deze denkwijze immers de overheid die de beslissingen heeft genomen waartegen de bonden zich verzetten. Op Facebook circuleert bijvoorbeeld volgend bericht: “Staken is een middel om een conflict tussen werknemer en werkgever op te lossen, conflicten met de overheid los je op met een bolletje.” Unizo verspreidde op 17 januari ook een persbericht waarin de zelfstandenorganisatie fulmineert dat de vakbonden actievoeren tegen de federale regering, maar daarbij wel de bedrijven treffen. De ondernemers “draaien bijgevolg op voor regeringsbeslissingen waar ze niks mee te maken hebben”, aldus Unizo. Hetzelfde credo horen we bij professor emeritus Roger Blanpain (KUL) [i].

Dit is uiteraard complete nonsens. Het is duidelijk dat werkgeversorganisaties sterk gelobbyd hebben voor de betreffende regeringsmaatregelen en zelfs vinden dat die maatregelen de werknemers nog veel meer hadden moeten treffen [ii]. Werkgevers maken daarbij handig gebruik van een sentiment dat leeft bij een groot deel van de bevolking, waarbij hun woede na de crisis zich richt op de overheid (de zichtbare ‘politicus’) en niet op het onzichtbare kapitalistische systeem.[iii] Maar die overheid handelt niet in een vacuüm, een overheid neemt beslissingen die overeenkomen met bepaalde belangen in de maatschappij. In dit geval worden conflicten tussen werkgevers en werknemers beslecht via en door de overheid, waardoor het lijkt alsof de overheid de boosdoener is. Maar die overheid beslecht vooral het conflict in het voordeel van werkgevers en aandeelhouders. Het is dan ook logisch dat de bonden met hun acties deze belangen proberen te treffen [iv].

Werkgeversorganisaties zullen dit waarschijnlijk een “ouderwetse” conflictueuze visie noemen, terwijl we volgens hen de crisis te lijf moeten gaan door “allemaal samen een tandje bij te steken”. Klinkt mooi in theorie, maar wat dan met de voortdurende aanvallen op de belangen van werknemers, onder andere over de index [v], de pensioenen [vi] of de werkloosheidsuitkeringen [vii]? En dat terwijl we de laatste decennia al een sterke daling gekend hebben van het aandeel van arbeid in het BBP tegenover het aandeel van kapitaal [viii]? Is het dan abnormaal om te spreken over “klassenstrijd” [ix]? Het wordt tijd dat werkgeversorganisaties beseffen dat ze die zelf meer en meer aanwakkeren. Uit een recente publicatie van het Wereld Economisch Forum (WEF) blijkt dat ze daar inzien dat de legitimiteit van het systeem in gevaar is als de aanvallen op de lagere sociale klassen en middenklasse verdergaan. Blijkbaar dringt dat besef nog niet door bij onze Belgische en Vlaamse werkgevers.

 

Mythe 2: Werkgevers hebben geen macht, vakbonden wel…

Nu duidelijk is dat het hier om een conflict tussen arbeid (werknemers) en kapitaal (werkgevers en aandeelhouders) gaat, kunnen we een tweede mythe weerleggen. Volgens deze mythe moeten de “machtige” vakbonden aan banden worden gelegd, en hebben werkgevers geen enkel machtsmiddel om daar tegenover te stellen. Dit is misschien wel de grootste onzin van alle mythes, en wordt bijvoorbeeld op groteske wijze verkondigd door Roger Blanpain [x]. Het tegendeel is waar, werkgevers kennen een structureel machtsoverwicht. Het gaat hier dan niet om de kleine ondernemingen, of een individuele werkgevers of aandeelhouder, maar wel om de groep van werkgevers, aandeelhouders en ondernemers.

Zoals perfect beschreven door de Nederlandse hoogleraar Bastiaan Van Apeldoorn (Vrije Universiteit Amsterdam) [xi], heeft deze groep zowel “structurele macht” als “directe macht”. Bij de laatste vorm gaat het erom dat zij vaak veel meer en betere rechtstreekse toegang hebben tot de staat en de politici, onder meer omdat zij vaak een sterk persoonlijk netwerk hebben, machtige belangengroepen en zwaar lobbywerk toepassen. Vaak zijn zij hier sterker in dan de vakbonden, omdat ze nu eenmaal veel middelen hebben, bijvoorbeeld financieel maar ook menselijk kapitaal. Maar wat meer is, de staat is ook afhankelijk van dit kapitaal omdat zij beslissen over investeringen, en zo ook over de economische groei en over de middelen die de schatkist binnenkrijgt.

Zo komen we bij de “structurele macht”, de tweede vorm. Zoals Van Apeldoorn schrijft: “Alleen al de perceptie dat bedrijven minder zullen gaan investeren, kan uitwerking hebben op het beleid. Juist omdat zij over zo’n bevoorrechte positie beschikt, zijn ook de ideeën die horen bij het perspectief van het kapitaal (of van de kapitalistische klasse) vaak leidend.” Deze structurele macht is alleen maar toegenomen met de mondialisering, waardoor een deel van het kapitaal (“mobiel” kapitaal) zich vrij kan verplaatsen van de ene staat naar de andere staat, en staten tegen elkaar kan uitspelen om de beste voorwaarden te krijgen. Wat meer is, dat kapitaal moet zich daarvoor zelfs niet organiseren, zoals bij werknemers wél het geval is. Het feit dat kapitaal kán vertrekken, is al genoeg, al wordt er vaak nog eens effectief openlijk gedreigd met vertrek. In ieder geval is er voor hen geen collectieve actie nodig om macht uit te oefenen. De macht is dus ongelijk verdeeld tussen werkgevers en werknemers ten voordele van die werkgevers. Dat blijkt ook steeds meer uit het sociaal overleg, wat ons bij de volgende mythe brengt.

 

Mythe 3: De staking hypothekeert het sociaal overleg…

Deze stelling wordt wel vaker geponeerd, waarna dan meestal de obligate oproep volgt om terug aan de onderhandelingstafel te komen. Zo roept Unizo in een persbericht over de staking op om “voorrang te geven aan constructief, oplossingsgericht overleg gekoppeld aan realistische voorstellen”, maar ook vanuit het centrum-linkse spectrum is dit te horen [xii]. Ook Vincent Van Quickenborne, Minister van Pensioenen, riep op om “volop te gaan voor overleg en dialoog” toen duidelijk werd dat de staking van 30/01 doorgaat. In een recenter opiniestuk in De Morgen geeft de minister zijn mooie definitie van sociaal overleg: “Toch zal de beslissing van de vakbonden mij niet doen afwijken van mijn voornemen om ernstig sociaal overleg te plegen. Het is mijn vast plan om de komende dagen en weken sociale partners én burgers verder te overtuigen van de noodzaak van ons beleid.” Met andere woorden, bij sociaal overleg moeten de vakbonden luisteren en overtuigd worden dat het reeds ingevoerde beleid noodzakelijk is. Dit is een nogal vreemde definitie van sociaal overleg, dat toch enigszins tweerichtingsbeleid inhoudt.

Meer in het algemeen lijkt het sociaal overleg op nationaal niveau de laatste decennia ook meer en meer vooral gebruikt te worden om de vakbonden te incorporeren, en niet om ook effectief een compromis te vinden tussen eisen van werkgevers én werknemers. Sociaal overleg betekent dan (in het ideaal van werkgeversorganisaties): de vakbonden mogen hun eisen duidelijk maken, daarna worden er beslissingen genomen die grotendeels ingaan tegen de belangen van de werkende klasse, waarna de bonden dat mogen gaan uitleggen aan hun leden, en die leden zo veel mogelijk koest moeten houden.

Voor vakbonden is sociaal overleg echter maar een middel om een zekere invloed te hebben op beleidsbeslissingen. Als dat echter structureel minder lijkt te lukken[xiii], wat moet een vakbond dan doen? Vriendelijk vragen helpt niet, dus is staken een logisch vervolg. In die zin is een staking meer een verlengstuk van het sociaal overleg dan tegengesteld aan het sociaal overleg. Zoals Annemie Peeters enigszins laconiek zei in het radioprogramma Peeters & Pichal: “Welk ander wapen hebben ze ook, ze kunnen moeilijk kerstbomen gaan verbranden?!” Als de machtsmiddelen tussen werkgevers en werknemers ongelijk verdeeld zijn, en wanneer het sociaal overleg onvoldoende oplevert, dan is een staking één van de weinige middelen om te tonen dat het menens is.

 

Mythe 4: De stakingen treffen vooral de kleine man…

Als de staking een machtsmiddel is van de werknemers tegenover de werkgevers, is het ook logisch dat vooral die werkgevers getroffen worden. Dit wordt duidelijk in de berichtgeving dat de staking voor grote schade zorgt aan de economie [xiv]. Dit klopt uiteraard. Maar wat daarbij wel vergeten wordt, is dat de economie een abstractie is, en dat het de bedoeling is om werkgevers en aandeelhouders te raken[xv]. Een stakingsdag toont perfect aan dat deze groepen geen winst kunnen maken zonder werknemers. Zoals het VBO in een persbericht schrijft [xvi], een staking “treft de bedrijven als motor van jobs en welvaart”. Dat de staking de bedrijven treft, is correct. Maar het toont net aan dat die werknemers op zijn minst mede de “motor van jobs en welvaart” zijn. Het wijst op de kwetsbaarheid van bedrijven, en op het feit dat de staking een goed actiemiddel is. Daarom ook is bijvoorbeeld een betaalstaking bij de NMBS of De Lijn geen goed idee. Dan worden immers vooral de inkomsten van de overheid aangetast (als grootste aandeelhouder), terwijl de winsten van de werkgevers en aandeelhouders onaangeroerd blijven.[xvii]

Het is dus niet de “kleine man” die het grootste slachtoffer is van de staking, wel de bedrijven. Toegegeven, zo’n actie kan zeer vervelend zijn voor de mensen die niet staken. De vraag dringt zich echter op wie deze mensen zijn. Een eerste groep zal bestaan uit ondernemers, zelfstandigen, kapitaalkrachtigen en dergelijke. Dat deze groep door de actie gehinderd wordt, is net de bedoeling. De tweede groep zijn studenten die per definitie nog niet werken. Het zou goed zijn als de vakbonden hun communicatie naar deze groep nog verbeteren, om hen te proberen te overtuigen van zowel de inhoud van de actie als van het goede werk dat vakbonden doorgaans leveren. In examenperiodes zijn acties zoals het structureel aanbieden van slaapplaatsen bij algemene stakingen ook geen slecht idee [xviii].

Een derde en laatste groep zal bestaan uit werkenden die de staking niet ondersteunen. Ook op deze groep moet door de vakbonden nog meer structureel ingezet worden. De woede van die “gewone werkende mens” die niet mee is met het verhaal van de vakbonden, zou zich op de werkgever moeten richten die het zo ver laat komen dat staken de enige optie is, en niet op de vakbonden zelf. Stel dat (quasi) alle werkenden zouden meestaken, dan zou de groep gewone mensen die door de staking wordt “getroffen”, al veel kleiner zijn. Daarbij mag er gerust op gewezen worden dat er nog veel werk aan de winkel is voor de vakbonden om een goede, structurele communicatiestrategie uit te werken, en meer inspanningen te doen om de (werkende , werkloze en studerende) publieke opinie te overtuigen[xix].

 

Mythe 5: Staken is gewoon een betaalde verlofdag voor de stakers…

Volgens veel Vlamingen komt staken neer op een dagje verlof voor die luie stakers. Staken is echter uiteraard niet zomaar een verlofdag. Ten eerste is er het niet te onderschatten loonverlies. Een stakingsdag betekent dat je die dag geen loon uitbetaald krijgt. Wél is er een stakingsvergoeding voorzien, tenminste voor wie bij een vakbond aangesloten is. Toch is het verlies aan inkomen vrij aanzienlijk. De stakingsvergoeding verschilt van bond tot bond en van centrale tot centrale, maar bedraagt meestal 25 euro de eerste week, en soms meer vanaf de tweede week [xx].

Als we het voorbeeld nemen van ABVV Metaal, dan bedraagt de vergoeding tijdens de eerste week staking 30 euro per dag en vanaf de tweede week 35 euro. Als je een maand zou staken, zou dat betekenen dat je 745 euro zou krijgen in een maand met 22 werkdagen. Aangezien het minimumloon voor een 21-jarige op 1 mei 2011 1.443,54 euro bedroeg [xxi], betekent dat dat een staker op zijn minst bijna de helft van zijn maandelijkse inkomen kwijtspeelt. Met zo’n inkomen zou hij/zij bovendien minder verdienen dan het maandelijkse leefloon [xxii]. Uiteraard is zo’n loonverlies bij een staking van één dag veel draaglijker dan bij een langere staking, maar deze cijfers tonen wel aan dat je niet zomaar voor je plezier staakt. Bovendien komen deze stakingsbijdragen uit de ledenbijdragen van de vakbondsleden zelf. Dat betekent dat het een soort verzekeringsprincipe is: de leden sparen zelf voor als ze ooit zouden staken. Een betaald dagje verlof dus? Ik denk het niet.

Ten tweede is er ook een sterke rechtstreekse en onrechtstreekse druk van werkgevers om toch maar niet te staken. Naast de manier waarop er in de media een zware oorlog tegen de staking wordt gevoerd – een oorlog waarin de media in het algemeen toch ook vrij gemakkelijk meestappen – en de juridische acties tegen stakingen [xxiii], wordt er ook rechtstreeks druk uitgeoefend op werknemers. Het is vrij duidelijk dat veel werknemers die willen staken door hun ‘bazen’ worden geïntimideerd, zeker ook in kleinere bedrijven. De anekdotische evidentie van verhalen die ik in mijn persoonlijke omgeving hoor, zal ik u besparen, maar wat te denken van volgende tweet van ‘ondernemer’ David Geens: ‘Mededeling aan het personeel: wie 30 januari staakt, moet niet meer terugkomen. Die mag blijven staken.’ Of wat te denken van de onderneming die, ondanks dat het eigenlijk illegaal is [xxiv], 30 euro bonus geeft aan zijn leden om níet te staken [xxv]? Dit soort zaken maakt dat staken helemaal geen free lunch is, integendeel, in veel bedrijven is er moed voor nodig om ondanks de druk te durven staken.

 

Mythe 6: Dit is een staking van de vakbondstop, niet van de basis…

Tot slot is er nog de mythe die zegt dat de “gewone” vakbondsleden helemaal niet willen staken, en dat de vakbondstop de grote wandoeners zijn. Het tegendeel lijkt echter waar te zijn. Bij een aanzienlijk deel van de achterban is de bereidheid tot actie groot, terwijl de vakbondstop daar (begrijpelijk) voorzichtiger in is [xxvi]. Professor emeritus Othmar Vanachter (KUL) zei in Peeters & Pichal [xxvii] terecht dat de vakbondstop al moet opletten dat ze niet voorbij gehold worden door de basis. Hij zei verder over de vakbonden: “Ik hoop dat men erin zal slagen om het protest binnen bepaalde banen te organiseren”. Daarbij waarschuwde hij ook voor Griekse toestanden, waarbij het land wel meer dan één stakingsdag “platgelegd” wordt.

Laat dat meteen ook een ontkrachting zijn van een mythe, of wishful thinking, die leeft bij een deel van de werkgevers en politici: zij die denken dat ze de crisis, een systeemcrisis van het neoliberalisme, kunnen misbruiken om nog meer neoliberale recepten uit te proberen, zullen uiteindelijk van een kale reis thuiskomen. Misschien niet op 30 januari, maar dan wel in de (nabije) toekomst. Na verschillende decennia loopt het neoliberalisme tegen zijn eigen grenzen, niet alleen economisch, maar ook sociaal. Als de afbraak van de welvaartsstaat wordt voortgezet, zou dat wel eens als een boemerang in hun gezicht kunnen terugvliegen. Op een bepaald moment zal de woede van een deel van de bevolking die zich op de overheid richt, of een deel van de jongeren die zich afzetten tegen de “babyboomers”, zich bovendien tegen de private sector keren. De vakbondstop onder druk zetten zal op dat moment niet meer kunnen baten. Voor een aanzienlijk deel van de werknemers en werklozen zal één stakingsdag dan niet meer genoeg zijn.


[i]
 Blanpain, R. (2012). De staking is onwettelijk, ondoelmatig en onrechtvaardig. De Standaard, vrijdag 27 januari 2012, p. 25. Zie hier.

[ii] Zie bijvoorbeeld Unizo over de pensioenen.

[iii] Theoretisch is dit het gevolg van de scheiding die er in het kapitalisme bestaat (en die inherent is aan de kapitalistische productiewijze) tussen de “politiek” en “economie”. Zie daarvoor bijvoorbeeld Bieler, A. & Morton, A. D. (2003). Globalisation the state and class struggle: a ‘critical economy’ engagement with open Marxism. British Journal of Politics and International Relations, 5(4), 467-499. Te raadplegen op http://www.arts.ualberta.ca/~courses/PoliticalScience/661B1/documents/BielerMortonGlobalCriticalEconOpenMarxism.pdf.

[iv] De vakbonden zeggen trouwens zelf in een gemeenschappelijk persbericht dat de staking nodig is “om de regering en de werkgevers ervan te overtuigen dat dit voor werknemers en sociaal gerechtigden echt niet meer kan” (zie deze link).

[v] Zie de recente aanval van Karel Van Eetvelt van Unizo hier, een persbericht van VOKA hier en twee persberichten van het VBO op 26/11/2011 en 29/11/2011 hier.

[vi] Zie bijvoorbeeld Unizo hier.

[vii] Ten bewijze daarvan het persbericht van het VBO op 19/10/2011 hier of een tekst van ondernemersplatform VKW Metena hier.

[viii] Zie bijvoorbeeld Van Rompuy, P. (2010). Het dalend aandeel van arbeid in het nationaal inkomen: oorzaken en gevolgen. Leuvense Economische Standpunten, 2010/130. Te raadplegen op http://www.econ.kuleuven.be/ces/les/LES%20130.pdf.

[ix] Zie voor een gelijkaardige argumentatie Thomas Decreus (KUL) op http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/01/27/de-staking-en-haar-tegenstanders-posities-en-hun-consequenties.

[x] Blanpain, R. (2012). Op. cit.

[xi] Van Apeldoorn, B. (2011). De macht van het kapitaal. Socialisme en Democratie, nr. 7-8, 165-175. Te raadplegen op http://www.wbs.nl/opinie/all/de-macht-van-het-kapitaal.

[xii] Bijvoorbeeld Monica De Coninck (sp.a): zie hier.

[xiii] Baccaro, L. et al. (2010). Discussion forum I: labour and the global financial crisis. Socio-Economic Review, 8(2), 341-376. Te raadplegen op http://www.posgrado.unam.mx/economia/avisos/curso_macromodelacion/Sesion%204/The%20collapse%20of%20finance%20but%20still%20weak%20labour.pdf.

[xiv] Bijvoorbeeld de vrij onzinnige berekeningen hier.

[xv] Zie ook het stuk van Prof. Dr. Jan Blommaert op http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/01/28/de-diepere-krachten-achter-het-vakbonds-bashen.

[xvi] Het persbericht van 14/12/2011 is hier te bekijken.

[xvii] Bij een gewone treinstaking verliest de overheid ook inkomsten, maar dan worden werkgevers ook getroffen omdat er minder mensen op het werk geraken en er dus minder wordt geproduceerd.

[xviii] Zoals gedaan door onder meer het ACV in Gent, beschreven in dit artikel.

[xix] Al wordt er wel moeite gedaan, zie bijvoorbeeld deze brief van Rudy De Leeuw aan de studentenpopulatie.

[xx] Zie bijvoorbeeld ACOD, COCof VSOA.

[xxi] Zie deze link voor de bedragen.

[xxii] Idem vorige voetnoot.

[xxiii] Zie daarvoor het persbericht van Unizo, of van het VBO, zie ook hier en hier, en voor eerdere acties hier of hier, en voor de “vrijwillige steun” van Gentse gerechtsdeurwaarders dit artikel.

[xxiv] Zo schrijft hoofddocent Sociaal Recht Patrick Humblet (Universiteit Gent) in een artikel van in De Standaard.

[xxv] Zie hier.

[xxvi] Dat blijkt bijvoorbeeld uit de niet eens heel sterk voorbereide betoging op 2 december 2011. Daar waren ondanks de vrij beperkte mobilisatie tussen de 50.000 en 80.000 mensen aanwezig, ongeveer dubbel zo veel als de vakbonden zelf verwacht hadden.

[xxvii] Uitzending van 21/12/2011.