In september 2014 kwam de Brusselse denktank Bruegel op de proppen met een nogal opvallende studie: The benefits and drawbacks of a European Unemployment Insurance. Op een moment dat de meeste voorspellingen draaiden om het einde van de Unie, dat de schuldeisers de schuldenaren dwingen tot besparing en ‘structurele hervormingen’, dat het sociaal beleid in elke lidstaat onder druk staat, op dat moment kwam deze denktank met het idee om werkloosheidsuitkeringen te betalen uit een Europese pot. Visionair of wereldvreemd, de weinige aandacht die naar de studie ging suggereert vooral het tweede. Maar is dat wel terecht?

Visionair of wereldvreemd, de weinige aandacht die naar de studie ging suggereert vooral het tweede. Maar is dat wel terecht?

Laten we eerst kort naar het voorstel kijken. Onder een Europese werkloosheidsuitkering zouden alle Europese werklozen het recht krijgen op een (relatief gezien) gelijke werkloosheidsuitkering betaald met Europees geld. De uitkering zou niet absoluut dezelfde zijn, maar de EU zou in alle landen eenzelfde vervangingsratio (de verhouding tussen je uitkering en je vorige inkomen) garanderen. Willen de nationale staten een werkloosheidsuitkering die hoger ligt, dan kunnen ze nog steeds zelf een systeem organiseren om meer (of langer) uit te betalen. Hoe de financiering gebeurt en op welk vlak (Europese Unie, Eurozone), daar zijn verschillende scenario’s voor.

Maar waarom zouden we een dergelijk schema willen? Er zijn twee grote redenen. Ten eerste ideologisch. Een Europese werkloosheidsuitkering zou een vorm van directe interpersoonlijke solidariteit installeren in de Unie die boven het niveau van de natiestaat uitsteekt. Een werkende Duitser wordt door dit systeem (althans deels) solidair met een werkloze Pool, maar ook een werkende Griek ziet een deel van zijn loon in de pot belanden waar de werkloze Belg zijn graantje van meepikt. Als we de centrifugale tendens zien waaraan de Unie (en dan vooral de eurozone) is blootgesteld, dan kan deze zeker een dosis solidariteit gebruiken.

Een systeem van ‘federale’ werkloosheidsuitkeringen werkt als een automatische stabilisatie in een muntunie, zowel wat betreft de handelsbalans als de begroting.

Naast het solidariteitsargument gaat het natuurlijk ook over economie. Een systeem van ‘federale’ werkloosheidsuitkeringen werkt als een automatische stabilisatie in een muntunie, zowel wat betreft de handelsbalans als de begroting. In België weten we er alles van. Het uitbetalen van werkloosheidsuitkeringen is een deel van de ‘verfoeilijke’ transfers tussen regio’s zoals West-Vlaanderen en Henegouwen (maar ook tussen Waals-Brabant en Limburg), zo wordt vaak gesteld. Ze zorgen er wel voor dat bijvoorbeeld West-Vlaanderen binnen de Belgische context meer kan blijven exporteren dan importeren. En zonder dergelijke transfers zou Limburg in serieuze problemen komen door zijn handelstekort. Het zou, zoals nu in de eurozone gebeurt, moeten besparen in de werkloosheidsuitkeringen.

In de VS speelt ook solidariteit op het federal niveau. Daar zorgt de federale werkloosheidsuitkering voor automatische transfers tussen staten als New York en armere Zuidelijke staten. Zonder die (en andere) transfers zou de Dollar-muntunie al snel op springen staan. In de eurozone zien we net dat gebeuren. Landen als Duitsland zijn lang exportkampioenen geweest, landen als Griekenland importkampioenen. Bij gebrek aan (automatische) transfersystemen betalen de deficitaire (in termen van handelsbalans) landen nu het gelag.

Natuurlijk gaat het niet enkel over tekorten in de handelsbalans. Een Europese werkloosheidsuitkering zorgt er ook voor dat landen in crisis minder diep moeten snoeien in hun overheidsuitgaven. Een deel van de oplopende kosten in een crisis (meer werkloosheidsuitkeringen door meer werklozen) wordt namelijk opgevangen door de hele unie. De ‘automatische stabilisator’ die de werkloosheidsuitkeringen zijn op nationaal vlak wordt op die manier Europees (of beter euro-pees) gegarandeerd.

Een mogelijk risico in de huidige setting is dat een Europese werkloosheidsuitkering gebruikt zal worden om de uitkeringen te verlagen in vele landen. Waarom zou België namelijk méér moeten geven dan andere landen (zie verschillende scenario’s van Bruegel), zeker als de Europese uitbetaling dan nog eens niet absoluut is maar relatief (gegarandeerd vervangingsratio). Daarom is er ook een tweede scenario uitgewerkt. In dat scenario is de Europese werkloosheidsuitkering geen permanent systeem, maar een systeem dat enkel in werking treedt bij een sterke verhoging van de werkloosheid in een land. Op die manier kan de begroting van een land in crisis onder controle gehouden worden, zonder dat er een permanent systeem van solidariteit geïnstalleerd moeten worden.

Niet zo naïef dus, zo’n Europese werkloosheidsuitkering. Zelf het IMF, niet altijd een voorstander van gulle werkloosheidsuitkeringen, uitte zich in 2013 al als een voorzichtig voorstander van een Europese werkloosheidsuitkering. Helaas is de politieke wil om tot een dergelijk beleid te komen relatief beperkt. De vorige EU-Commissaris voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (László Andor) was een uitgesproken voorstander, over de positie van Marianne Thyssen is minder bekend. Er zal natuurlijk meer nodig zijn dan één overtuigde EU-commissaris, maar het zou goed zijn mocht ook in deze ploeg een duidelijke voorstander zich kenbaar maken en het voorstel ter harte nemen.

Mee discussiëren over hoe we Sociaal Europa vorm moeten geven? Kom naar ons debat op 25 mei.