Wie de laatste dagen langs het beruchte parkje aan Brussel-Noord passeerde, weet het: de toestroom vluchtelingen is nog niet gestopt. Met honderden kamperen ze aan de deuren van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) om geregistreerd te worden en dat is nog maar de eerste stap. Na de registratie volgt voor velen de erkenning en de lange weg naar een nieuw (tijdelijk of permanent) leven in België.

Geen betere integratie dan een integratie door werk. Betaalde arbeid geeft aan het leven van de meeste mensen, asielzoeker of niet, structuur, zin en inhoud. Het scherpt competenties aan, creëert een sociaal netwerk en laat hen positief bijdragen aan de maatschappij. Het is, kortom, de manier om het beste te halen uit de situatie, voor het gastland en voor de nieuwkomers.

Maar de weg naar werk is niet zonder obstakels, zowel vanuit het vraag- als het aanbodperspectief. De nieuwkomers moeten de taal (talen) machtig worden, hun diploma’s of andere competenties erkend zien en kennis opdoen over de Belgische arbeidsmarkt en arbeidscultuur. En dan moet er natuurlijk werk zijn dat min of meer overeenkomt met hun competenties. Niet simpel en niet iets dat je in enkele weken of maanden voor elkaar krijgt.

Zonder steun van hun familie of kennissen zullen velen een tussenstop moeten maken bij het OCMW voor een noodzakelijke duw in de rug. Maar als we één iets leerden uit onze vorige ervaringen met asielzoekers, dan is het dat een duw in de rug helpt. Bij vorige regularisatierondes had de overgrote meerderheid werk in minder dan twee jaar.

De urgentie ligt nu vooral bij het integratie- en vormingsbeleid.

Maar waarom zien we dan andere cijfers over de vele niet-actieve migranten in ons land? Het integratiebeleid speelt zeker mee, maar het gaat ook om eenvoudigweg andere populaties. Migreren naar België is niet eenvoudig. Veel van de migranten die ons land de laatste jaren ontving waren huwelijksmigranten: bruiden en bruidegoms die naar ons land komen om met hun (Belgische) partner een leven op te bouwen. En net zoals bij Belgische koppels volgt dan vaak een kind en lonkt de inactiviteit. Eerst tijdelijk en dan voor langere duur. Dat is een probleem, zonder twijfel. Maar wel een probleem dat niet noodzakelijk van toepassing is op de golf asielzoekers.

Panikeren is dus niet nodig, maar we moeten ons de vraag stellen hoe de doorstroom naar werk beter en sneller kan. Onlangs gingen stemmen op dat te doen via een flexibilisering van de arbeidsmarkt. Wat we daaronder moeten verstaan, is niet altijd even duidelijk, maar als het van de voorstanders afhangt, zou het veel problemen oplossen, ook de asielkwestie.

Laaggeschoolden

Het doel van het flexibiliseren van de arbeidsmarkt is de creatie van jobs, vooral voor laaggeschoolden. Of dat zal lukken, is betwijfelbaar, maar dat is ook niet het onderwerp van deze bijdrage. Want zelfs áls het zou lukken, dan is het nog steeds geen oplossing voor de asielzoekers, om minstens drie redenen.

Ten eerste zullen de jobs die door een dergelijk beleid gecreëerd worden veel te laat komen om van een ‘snelle doorstroom’ te spreken.

De problemen en obstakels voor een snelle doorstroom naar werk zijn duidelijk identificeerbaar: taal, competenties, erkenning en de creatie van werk

Daarnaast is het verre van zeker dat veel asielzoekers op zoek zijn naar een job voor laaggeschoolden. Het zou een absolute verspilling van menselijk kapitaal zijn om ze te dwingen onder hun capaciteiten te werken.

En tenslotte, zelfs als ze geïnteresseerd zijn in dergelijke jobs, staan er honderden jonge, laaggeschoolde werkzoekenden voor hen in de rij die wel school hebben gelopen in een van de landstalen.

Voor de gewenste oplossing (de flexibilisering van de arbeidsmarkt) is de asielkwestie niet het correcte probleem. In plaats van problemen voor oplossingen te zoeken, bedenken we beter oplossingen voor problemen.

En de problemen en obstakels voor een snelle doorstroom naar werk zijn duidelijk identificeerbaar: taal, competenties, erkenning en de creatie van werk. Een deel ervan kan zeker via het arbeidsmarktbeleid (de creatie van werk) opgelost worden, maar de urgentie ligt vooral bij het integratie- en vormingsbeleid.

Dit stuk werk eerder gepubliceerd als opinie in De Tijd (08 september 2015). Lees ook de reactie van Peter De Keyzer (link)