Marianne Thyssen staat als nieuwe Eurocommissaris, bevoegd voor o.a. werkgelegenheid en sociale zaken, voor vele uitdagingen. De scepsis rond het gewicht van haar bevoegdheidspakket wegnemen zou daarvan de minste moeten zijn. De toestand waarin de Europese Unie zich bevindt maakt haar bevoegdheden vanzelf uiterst belangrijk. Ook al beschikt zij niet over de hefbomen om op haar eentje Europa een meer sociaal gelaat te geven, als belangrijke teamspeler kan zij de Commissie wel in die richting doen opschuiven. Vanuit Metis en Poliargus verwachten we dat ze deze taak op zich neemt en wij zullen dit de komende jaren ook opvolgen. We selecteerden dé vijf prioritaire uitdagingen waarop zij het verschil kan maken. Indien zij daarin slaagt, krijgt zij van ons binnen vijf jaar grootste onderscheiding.

Een pdf versie van deze Poliargus Paper kan je hier downloaden: Europa-PP-oktober2014

Topbevoegdheid?

Nooit eerder was de aanduiding van een Belgische Eurocommissaris de inzet van zoveel politieke strategische verwikkelingen. Dat de voordracht samenviel met de federale regeringsvorming was daar niet vreemd aan. Daardoor was er deze keer in ons land ook meer dan anders belangstelling voor de portefeuille die Marianne Thyssen zou te pakken krijgen. Juncker zou zijn partijgenote, mede uit dank omdat België hem op de valreep een negende vrouw aanbood, een van de topbevoegdheden geven, zoals mededinging of handel.

Het werd werkgelegenheid, arbeidsmobiliteit, vaardigheden en sociale zaken. En prompt volgden de smalende commentaren. Van een topjob was absoluut geen sprake. Dat de vorige Commissaris, László Andor, een Hongaarse socialist was, werd als een soort bewijs gezien dat het om een eerder onbeduidende bevoegdheid ging. De criticasters hadden en hebben gelijk op één punt. De bevoegdheden op sociaal vlak situeren zich grotendeels bij de lidstaten. Een Commissaris kan op sociaal vlak veel moeilijker zijn of haar stempel drukken op het beleid dan bij bv. mededinging, waar de Europese Unie de regels uitzet. Maar wat het belang van de bevoegdheid betreft zijn de neerbuigende reacties volkomen onterecht.

Werkgelegenheid en ongelijkheid: topprioriteiten

De Europese Unie is de laatste jaren veel minder populair geworden bij de eigen bevolking[i]. De zwaar door de schuldencrisis getroffen landen Cyprus, Griekenland, Portugal en Spanje vormen samen met de grote lidstaten Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk de landen die het meest pessimistisch staan tegenover de toekomst van de EU. Dit vertaalt zich in heel wat landen ook in het stemgedrag, waarbij eurofobe partijen hoge scores halen.

Het zijn de economische situatie en de werkloosheid die de Europeanen het meest zorgen baren, en ook aanleiding geven voor dit pessimisme[ii]. Dit betekent dat enkele van de belangrijkste problemen waar Europa vandaag mee te maken krijgt, onder de bevoegdheid van Marianne Thyssen vallen: werkloosheid, en dan vooral jeugdwerkloosheid, de toenemende ongelijkheid en het veiligstellen van de welvaartsstaten. Wie durft nog beweren dat dit geen uiterst belangrijke bevoegdheden zijn?

De burgers hebben vandaag de indruk dat de EU een soort moloch is die onze welvaart bedreigt, jobs vernietigt en sociale bescherming afbreekt in naam van de logica van de eengemaakte markt en de euro. De leden van de EU worden uit elkaar gedreven, met een zichtbare tweespalt tussen de zuidelijke en noordelijke landen als gevolg. En dat terwijl de Unie, en de euro in het bijzonder, er natuurlijk net zijn om duurzame groei en kwaliteitsvolle banen te creëren, onze welvaartsstaten te beschermen in de geglobaliseerde wereld en de lidstaten en hun economieën alsmaar dichter bij elkaar te brengen.

Het moet het doel en de opdracht van de gehele Europese Commissie zijn, en de Commissaris voor werkgelegenheid en sociale zaken in het bijzonder, om ervoor te zorgen dat over vijf jaar de Europese Unie weer met deze positieve effecten wordt vereenzelvigd.

Beperkte armslag

De criticasters hebben in die zin gelijk dat Marianne Thyssen over weinig instrumenten beschikt om daadwerkelijk iets aan deze problemen te doen. De verantwoordelijkheid ligt hier in eerste instantie bij de lidstaten, al wil de Commissie meer het voortouw nemen rond werkgelegenheid en dan vooral de jeugdwerkloosheid. Dat blijkt ook uit de missiebrief van Commissievoorzitter Juncker aan de nieuwe commissaris[iii].

Ook de nieuwe structuur van de Europese Commissie beperkt de manoeuvreerruimte voor Marianne Thyssen. De vicepresidenten zullen immers het werk van de gewone commissarissen coördineren en bepalen wat er op de agenda van de Commissie komt. De Fin Jyrki Katainen wordt als vicepresident verantwoordelijk voor werkgelegenheid. Hij staat bekend als een voorstander van een strikt begrotingsbeleid en het soort structurele hervormingen dat de Commissie tot op heden voorstaat. Maar als premier van Finland leidde hij drie jaar een coalitie van zes partijen en heeft hij dus ervaring met het zoeken naar een consensus. Hoe dan ook, meer dan andere commissarissen zal Marianne Thyssen een heel pientere strategie nodig hebben om haar doelen goed af te bakenen en de weg erheen uit te stippelen.

Vijf maatregelen voor een socialer Europa

De beperkte armslag mag geen reden zijn om niet te proberen het Europese schip sociaal in de juiste richting te duwen. Daarvoor zijn de bevoegdheden te belangrijk en de situatie te acuut. Een vijftal maatregelen kunnen naar voor geschoven worden waarrond absoluut actie vereist is. Commissievoorzitter Juncker stelt in zijn missiebrief dat de uitdaging, maar ook de kans, voor de Europese Unie vandaag is dat ze een nieuwe start moet maken. Marianne Thyssen moet daar het sociale gelaat van worden.

Dat zal niet enkel gerealiseerd kunnen worden via nieuwe regels en plannen. In het Verdrag van Lissabon staan een aantal doelstellingen voor de Unie omschreven, zoals het bestrijden van sociale uitsluiting en het bevorderen van sociale rechtvaardigheid en bescherming. Andere doelstellingen, zoals de realisatie van de interne markt, het zorgen voor een evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit, en het realiseren van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid, komen in het Europese beleid veel meer tot uiting. Daar zit een ideologische keuze achter, waarbij het marktdenken primeert. Een invulling van het beleid vanuit een nieuw sociaal beleidsparadigma, met meer nadruk op koopkracht en sociale bescherming, en minder op dereguleren, flexibiliseren en besparen, is dan ook minstens even belangrijk. Dit gaat veel verder dan de bevoegdheid van één Commissaris. Maar dat belet niet dat een aantal concrete maatregelen kunnen genomen worden.

  • Het sociale beleid van de lidstaten toetsen

Als gevolg van de schuldencrisis is er een strenger Europees toezicht op het begrotings- en economisch beleid van de lidstaten gekomen. Via de procedure van het Europese Semester wordt nagegaan of de lidstaten een buitensporig begrotingstekort of macro-economische onevenwichtigheden vertonen. Dit jaar werden daarbij voor het eerst criteria rond werkgelegenheid en sociale indicatoren mee opgenomen via een zogenaamd scorebord. Het gaat om werkloosheid, jeugdwerkloosheid, inkomens huishoudens, risico op armoede en inkomensongelijkheid. De toetsing van deze criteria is evenwel te vrijblijvend, zeker in vergelijking met het boetesysteem voor wie de drie procent begrotingsnorm dreigt te missen. De indruk blijft dat het economisch en sociaal beleid door de EU helemaal ondergeschikt wordt gemaakt aan de fetisj van begrotingsevenwichten.

Via haar rol in het Europees Semester moet Marianne Thyssen ervoor zorgen dat zowel de EU als de lidstaten opnieuw het beleid toetsen aan de sociale doelstellingen die opgenomen zijn in het Verdrag van Lissabon. Dit betekent zorgen voor duurzame groei en kwaliteitsvolle jobs, onder andere door voldoende investeringen in onderwijs. En ook robuuste, effectieve, efficiënte en rechtvaardige sociale bescherming, door het beleid aan een armoedetoets te onderwerpen. De instrumenten zoals de sociale indicatoren binnen het scorebord van het Europees Semester en Europa 2020 bestaan. Ze dienen uitgebreid te worden, en vooral prominenter en sterker afgedwongen.

De rigide Europese begrotingsregels, die wel zeer nauw opgevolgd worden, fnuiken ondertussen de groei. Zij vormen geen doelstelling op zich, maar vloeien voort uit de invoering van de muntunie. Zij worden best in vraag gesteld en gekaderd binnen een omvattender beleid richting een hechte Europese Muntunie, met meer solidariteit. Maar dat is in eerste instantie een zaak voor de Europese Raad van regeringsleiders.

  • Eindelijk een Europees minimumloon

Door de crisis zouden we soms vergeten hoe welvarend Europa eigenlijk is. Moest de Europese Unie één staat vormen, dan zou die wereldwijd op de 15de plaats staan wat betreft BBP per capita, ook al behoren armere lidstaten zoals Roemenië en Bulgarije tot die Unie[iv]. In dat Europa van vandaag zouden we armoede gewoonweg onaanvaardbaar moeten verklaren. En werkende armen zou al helemaal ondenkbaar moeten zijn, maar het blijkt helaas realiteit[v].

Dit laatste kan via de invoering van een Europees minimumloon bestreden worden. Want jobs en opleiding zijn weliswaar sleutelelementen in de strijd tegen de armoede, maar zonder minimumloon belandt een deel van zij die werken, met name laaggeschoolden, toch in de armoede. Een minimumloon van 60% van het mediaan inkomen in een lidstaat (de binnen Europa afgesproken armoedegrens) is haalbaar en sociaal rechtvaardig.

Sommige zaken, zoals paragraaf 5 van artikel 153 van het Werkingsverdrag (TFEU), verhinderen de invoering. Maar stappen zetten via ‘soft law’ zou wel binnen de contouren van het Verdrag mogelijk kunnen zijn. Overigens, in de nasleep van de crisis is er al eerder flexibiliteit getoond bij het interpreteren en wijzigen van het verdrag. Marianne Thyssen moet initiatieven nemen om de invoering van een minimumloon in elke lidstaat mogelijk te maken. Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker heeft er zich al een voorstander van getoond, o.a. in zijn rede voor het Europees Parlement vooraleer zijn aanstelling werd bevestigd, en kan haar ondersteunen.

Een minimumloon zou ook helpen vermijden dat de Europese Unie sociale dumping in de hand werkt, door lidstaten aan te zetten met elkaar te concurreren via alsmaar lagere lonen. Veel Europese burgers ervaren dit aan den lijve wanneer ze de concurrentie ondervinden van wat in de praktijk buitenlandse firma’s zijn met buitenlandse werknemers aan buitenlandse voorwaarden, en dat op de thuismarkt waar voor hen de eigen voorwaarden gelden. Zij voelen zich dan ook door Europa in de steek gelaten, en merken weinig van de nobele sociale doelstellingen in het Verdrag van Lissabon. De detacheringslijn moet op zeer korte termijn hervormd worden, zodat de evidentie van gelijk loon voor gelijk werk onder gelijke omstandigheden eindelijk kan worden toegepast.

  • Strijd tegen de jeugdwerkloosheid     

De besparingen en structurele hervormingen worden vaak gelegitimeerd door te verwijzen naar de erfenis die wij onze kinderen en kleinkinderen achterlaten. Ondertussen loopt de jeugdwerkloosheid torenhoog op. Een hele generatie dreigt werkvaardigheden te verliezen en daar blijvend de gevolgen van te dragen[vi]. Als er iets is wat onze toekomstige welvaart negatief dreigt te beïnvloeden is het de huidige jeugdwerkloosheid.

De Europese Commissie wil hier zwaar op inzetten via de Europese Jobgarantie voor jongeren. Dit systeem moet garanderen dat elke jongere na vier maanden werkloosheid ofwel een job heeft, ofwel een bijkomende opleiding krijgt aangeboden, ofwel een stage kan lopen. Het aantal NEET-jongeren (Not in Education, Employment or Training), die noch werken, noch in opleiding zijn of stage lopen, moet worden terug gedrongen. Marianne Thyssen zal in belangrijke mate afgerekend worden op de manier waarop deze Europese Jobgarantie voor jongeren in de praktijk gerealiseerd wordt en wat de resultaten zijn. En daarbij moet er ook over worden gewaakt dat jongeren zoveel mogelijk in kwalitatieve jobs terecht komen, en niet in een gesubsidieerd circuit van precaire stages.

  • Solidariteitsmechanismen tussen de lidstaten       

De ervaringen van de voorbije jaren hebben aangetoond dat de eurozone vandaag brandvertragers mist als er ergens vuur uitbreekt. Integendeel, de manier waarop de euro functioneert werkt als een brandversneller. Lidstaten die in de problemen komen worden gedwongen tot een uiterst streng besparingsbeleid, waardoor ze wegzinken in een diepe crisis. De nadrukkelijke keuze voor een politiek van afbouw van het overheidstekort en lage inflatie neemt de overheden de instrumenten om in tijden van recessie een anticyclisch beleid te voeren van extra investeringen uit handen. En ook vanuit Europa en de rijkere lidstaten blijven de impulsen voor de economie achterwege.

De voorbije jaren zijn heel wat slimme voorstellen uitgewerkt om op het niveau van de eurozone ervoor te zorgen dat lidstaten die op een bepaald moment economische pech hebben tijdelijk geholpen worden door lidstaten die het op dat moment beter doen, bijvoorbeeld door automatische solidariteit via de korte termijn werkloosheidsuitkeringen. Dit vormt een automatisch stabilisatiemechanisme dat helpt schokken door een plotse opstoot van werkloosheid op het niveau van lidstaten op te vangen.

Een dergelijk solidariteitsmechanisme zou de voordelen van lidmaatschap van de monetaire unie concreet laten zien. Uiteraard dient er over gewaakt dat er geen nivellering naar beneden wordt georganiseerd. Een duidelijk afgebakende vorm van solidariteit moet blijvende transfers voorkomen en de werkloosheidsstelsels op het niveau van de lidstaten die aangepast zijn aan de lokale arbeidsmarkt en ruimere vormen van solidariteit organiseren intact laten. Op lange termijn wordt iedereen daar beter van.

De voltooiing van de economische en monetaire unie die Herman Van Rompuy ondertussen twee jaar geleden heeft uitgetekend[vii] moet nog voor een zeer groot deel gebeuren. Het is belangrijk om ook hier de sociale dimensie te bewaken. Marianne Thyssen moet ook hiervan het sociale gelaat worden.

  • Een sociaal extern beleid

De Europese Unie moet haar sociale doelstellingen niet alleen voorop stellen in al haar intern beleid, maar ook in haar extern beleid. Dan denken we in eerste instantie aan handelsakkoorden, zoals het Europees-Amerikaanse TTIP. De Commissaris voor werkgelegenheid en sociale zaken moet erover waken dat er niet alleen een economische kosten/baten analyse wordt gemaakt, maar ook een sociale, en dat daar minstens evenveel belang aan wordt gehecht. Dat geldt evenzeer voor de ecologische component, maar dat is dan weer een andere bevoegdheid.

Net als we dat binnen de Europese Unie moeten, is het ook hier noodzakelijk om economische integratie aan convergentie richting meer ecologische en sociale bescherming te koppelen. De EU vindt het (terecht) normaal van derde landen te verlangen dat ze onze ambitieuze technische standaarden overnemen in ruil voor toegang tot onze markt, maar vraagt zo goed als geen engagementen op sociaal en milieuvlak.

Marianne Thyssen moet dat debat in de Commissie aangaan. Als we sociale en milieucriteria hanteren bij het afsluiten van handelsverdragen zal dit de burgers helpen de EU als een ‘schild’ tegen de negatieve effecten van globalisering te zien, in plaats van een versterker ervan.

Het momentum grijpen

 De nieuwe Commissie lijkt vast van plan om met een nieuw elan te beginnen. In dit stuk hebben we een vijftal doelstellingen op sociaal vlak vooropgesteld. Marianne Thyssen beschikt over de geloofwaardigheid en het juiste profiel en netwerk om deze ambitieuze agenda in de praktijk te brengen. Wij geloven ook graag dat zij een meer sociaal Europa genegen is.

Ze zal tijd nodig hebben om binnen de Commissie haar collega’s te overtuigen van de absolute noodzaak van deze sociale agenda. Als ze daar op subtiele wijze in slaagt – vanzelf zal dit niet gaan – kan zij de criticasters lik op stuk geven en over vijf jaar met een indrukwekkend palmares uitpakken. Een palmares dat het vertrouwen in Europa zal helpen herstellen en het leven van heel wat Europese burgers tastbaar zal verbeteren.

Als dit momentum om eindelijk het scheve Europese huis ook een sociale pijler te geven zonder resultaat passeert, dan blijven het koude marktdenken, het gebrek aan sociale warmte en het uitzichtloze perspectief het wantrouwen van de Europese burgers voeden. Marianne Thyssen dreigt dan, samen met deze Commissie én de Raad van regeringsleiders, de geschiedenisboeken in te gaan als een van de doodgravers van het Europese project.

Ferdi De Ville (professor EU Studies aan UGent, lid van Poliargus en Metis Instituut)

Nico Pattyn (Metis Instituut)

[i] Volgens de Eurobarometer stonden in de lente van 2007 52% van de Europeanen positief, en 15% negatief tegenover de EU. In de herfst van 2012 was dat nagenoeg gelijk: 30% positief, 29% negatief. In het laatste onderzoek (lente 2014) was dat verschil weer opgelopen tot 35% tegenover 25%. Nog meer Europeanen (38%) staan neutraal tegenover de EU.

[ii] Zie diezelfde Eurobarometer.

[iii] Voor de missiebrief van Commissievoorzitter Juncker aan Marianne Thyssen, zie http://ec.europa.eu/about/juncker-commission/docs/thyssen_en.pdf

[iv] Alle huidige EU lidstaten verdwijnen in dat geval uit de rangschikking. Dit alles op basis van gegevens van het IMF voor 2013, nominaal BBP, waarbij ministaatjes als Monaco, Liechtenstein en Andorra buiten beschouwing worden gelaten. Luxemburg staat op 1, Denemarken en Zweden halen ook de top 10, België is zestiende. Roemenië staat op plaats 71, Bulgarije op 77. De Verenigde Staten zijn 9de, China staat slechts 83ste.

[v] Volgens Eurostat bedroeg het risico op armoede bij werkenden in de EU 9,1% in 2012. België doet het met 4,6% en een met Nederland gedeelde derde plaats na Finland en de Tsjechische Republiek prima. Griekenland en Spanje halen na Roemenië het hoogste cijfer, en combineren dit bovendien met een hoge werkloosheid. In Duitsland is het percentage na de Hartz IV-hervormingen in twee jaar tijd van 4,8 naar 7,4% in 2007 opgelopen, om nadien tussen 7 en 8% te schommelen. Beleid maakt dus wel degelijk het verschil.

[vi] Bart Cockx en Corinna Ghirelli van de UGent stelden in hun op 11 september 2014 verschenen paper Scars of Recessions in a Rigid Labor Market vast dat wie afstudeert in jaren van hoge werkloosheid, daar nog jarenlang de gevolgen van meedraagt. Tien jaar later is het loon nog altijd een stuk lager, zowel voor laag- als hooggeschoolden. In België blijkt het effect sterker dan in vele andere landen.

[vii] Voor het document Towards a Genuine Economic and Monetary Union, zie http://ec.europa.eu/economy_finance/crisis/documents/131201_en.pdf