In zijn meest recente onderzoekspaperThe politics of public debtgeeft Wolfgang Streeck, directeur van het prestigieuze Max Planck Instituut voor Maatschappijstudies, een verklaring voor de overheidsschuld die diametraal ingaat tegen de vandaag heersende visie. De schuldenlast van de staat is het resultaat van de neoliberale bocht die het democratisch kapitalisme sinds de jaren zeventig heeft genomen, stelt hij.

Overheidsschulddat als de grote schuldige voor de huidige crisis wordt gezien –wordt vandaag steevast als een gevolg van democratisch falen gezien (zie vandaag nog hier). Politici kunnen niet aan de verleiding weerstaan om meer uit te geven dan er bij de overheid binnenkomt, daartoe aangezet door kortzichtige kiezers, vakbonden en gevestigde belangen. Deze verklaring komt echter niet overeen met tendensen sinds de jaren zeventig, het moment dat ook de overheidsschuld overal in het westen begon te stijgen. Zowel vakbondslidmaatschap, vakbondsacties als opkomst bij verkiezingen zijn sindsdien spectaculair gedaald. In plaats van dat het electoraat en het sociale middenveld hun greep op de politiek zouden hebben versterkt, heeft ‘het volk’ sterk aan macht ingeboet.

Wat is er dan wel gebeurd? Een sequentie en samenspel van factoren met als grondoorzaken het stilvallen van de groei en de neoliberale wending van de politieke economie. Met de economische crisis van de jaren ’70-’80 (ten gevolge van de dubbele oliecrisis) steeg het begrotingstekort voor het eerst sinds lang. Stijgende werkloosheid leidde automatisch tot minder inkomsten en meer uitgaven voor de overheid. Met de neoliberale wending van Thatcher en Reagan besloten overheden zich niet meer in de eerste plaats te bekommeren om het herstellen van volledige werkgelegenheid, maar wel het bekampen van inflatie. Dat leidde tot nog meer toename van de werkloosheid, en dus toename van de overheidsschuld. Bovendien, door de lage inflatie, prohibitief hoge interestpercentages (om lage inflatie te bereiken) en bijgevolg ondermaatse groei, steeg de overheidsschuld in relatieve termen snel. Weerstand tegen belastingen in de nieuwe context van lage groei en globalisering, dat kapitaal toeliet te dreigen met delokalisering, leidden tot lagere belastingstarieven en -inkomsten. De hoge sociale uitgaven door de economische malaise moest dus alsmaar meer gefinancierd worden door overheidsschuld in plaats van belastingsinkomsten. In de jaren negentig reageerden staten een eerste keer op de toegenomen overheidsschuld door publieke uitgaven terug te schroeven. Dat kon deels door een verlaging van militaire uitgaven dankzij het vredesdividend na het einde van de Koude Oorlog maar gebeurde voor het grootste deel door afbouw van de welvaartsstaat. Dat dit al bij al vlot verliep in het hele westen, toont dat de mobiliserende kracht van vakbonden en het electoraat in het algemeen inderdaad was gebroken, wat opnieuw de ‘democratisch falen’ interpretatie van overheidsschuld tegenspreekt. In vele landen, met de VS op kop maar ook in Europese landen, werd de eerste jaren van de jaren 2000 de consolidatie van de jaren ’90 en het primaire begrotingssurplus gebruikt om belastingen voor de rijken en bedrijven verder te verlagen. Wanneer het de overheidsfinanciën kort nadien minder voor de wind ging, werd het nieuwe deficit als een argument gebruikt om de welvaartsstaat verder te hervormen. Uiteindelijk werden alle inspanningen van schuldreductie van de voorgaande vijftien jaar tenietgedaan door de financieel-economische crisis die uitbrak in 2008. De meest dramatische toename in overheidsschuld buiten oorlogstijd van de recente geschiedenis werd dus overduidelijk veroorzaakt door een falen, niet van democratie, maar van neoliberaal kapitalisme. De enorme toename van schuld bij gezinnen en banken die tot de financiële crisis leidde was op zijn beurt een gevolg van de neoliberale economische ordening, waarbij de exuberante vormen aannemende financiële rijkdom van een zeer klein deel van de bevolking een afzet zocht en vond in de vraag naar krediet van een groeiende groep burgers die zijn levensstandaard niet op peil kon houden door een degelijk loon of vervangingsinkomen.

Streeck maakt in deze paper een onmisbare bijdrage aan een alsmaar uitdijende literatuur die toont dat de obsessie met overheidsschuldafbouw via besparingen, zeker in crisistijd, contraproductief werkt en is gebaseerd op een compleet foutieve diagnose van de huidige crisis. Maar nog meer toont hij hoe onrechtvaardig het is om de huidige crisis af te wentelen op werknemers, werklozen en gepensioneerden. Niet de greep van ‘gevestigde belangen’ als vakbonden op de politiek is verantwoordelijk voor de hoge overheidsschuld, wel eerder hun machtsverlies, een vacuüm dat meer dan is ingevuld door de echte profiteurs van vandaag: superrijken en multinationale bedrijven[1].

Het debat over de overheidsschuld moet dan ook helemaal herijkt worden. Er is meer dan één manier om overheidsschuld af te bouwen, de beslissing daarover is fundamenteel distributief en moet gebaseerd zijn op het rechtvaardigheidsprincipe. De overheidsschuld afbouwen op de huidige manier door te besparen op herverdelende uitgaven (aan de huidige, minst begoede, burgers) en/of minder productieve investeringen (uitgaven aan toekomstige generaties) komt rechtstreeks ten goede aan zij die vandaag te weinig belastingen betalen en zij die interest verdienen aan overheidsobligaties. Dat is in het licht van deze analyse van de crisis en van de hoogte van de overheidsschuld absoluut onrechtvaardig, en dus ook economisch inefficiënt.

Het debat over de overheidsschuld moet dus worden gepolitiseerd. Behalve de allerrijksten die hun rijkdom altijd wel kunnen meenemen naar één of ander exotisch eiland moet iedereen zich realiseren dat de huidige koers enkel kan resulteren in het gelijk van een eerdere paper van Streeck: de fundamentele incompatibiliteit van kapitalisme en democratie.



[1]In 2010, dus twee jaar na de crisis, ging in de VS 93% van alle inkomensstijgingen naar de top 1% van de bevolking, 37% ging naar de top 0.01%, zie hier.