“België doet alsof ze de uitzondering is op de regel. Terwijl alle andere landen het systeem van automatische loonindexeringen al lang geleden naar de prullenbak stuurden, houdt België eraan vast.” Het is een vaak gehoord argument in heel de indexdiscussie (Mouton, 2014). Het Belgische systeem is bijna uniek in de wereld, en wordt daarom maar beter afgeschaft. De Zweedse coalitie denkt alvast in die richting. Van een afschaffing mag dan wel voorlopig nog geen sprake zijn – het ligt gevoelig bij de achterban van de christendemocraten en de Franstalige liberalen – toch wordt het systeem verzwakt en uitgehold.

Een pdf versie van deze Poliargus paper kan je hier downloaden: Index-PP

Zowel voor- als tegenstanders verwachten drastische effecten van een uitholling of afschaffing van het systeem. De voorstanders van de afschaffing wijzen steevast op enkele nefaste effecten van de index. Het zou enerzijds de inflatie verhogen en anderzijds werk duur maken waardoor de vraag naar arbeidskrachten zou dalen. De tegenstanders van de afschaffing van hun kant vrezen een terugval van de consumptie en vooral een stijging van de ongelijkheid. Het zullen namelijk vooral de lagere lonen zijn die achterblijven eens de index begraven is. Ze wijzen er tevens op dat in de huidige context van deflatie, indexeringen een automatische stijging van de spaarquote voorkomen en zorgen voor flexibelere nominale lonen, waardoor de toename in jobonzekerheid uitblijft.

Voor de twee aangehaalde redenen (inflatie en werk) schaften verschillende Europese landen inderdaad de automatische indexering af. Enkele decennia geleden stonden België, Cyprus, Luxemburg, Malta en de EU-ambtenarij – volgens velen een staat op zich, de huidige ‘indexlanden’, zeker niet moederziel alleen met het systeem van automatische loonindexering. Belangrijke economieën zoals Denemarken, Frankrijk, Nederland en Italië hadden toen een vergelijkbaar systeem. In de jaren 1980 en 1990 werden deze systemen stuk voor stuk afgeschaft. Denemarken en Nederland deden dat in 1982 met de bedoeling werk te creëren, Frankrijk en Italië schaften hun systeem af in 1983 en 1993 om de oplopende inflatie in de hand te houden.

Alvorens te concluderen dat België dit voorbeeld moet volgen, moeten we dus nagaan hoe die landen het er vanaf brachten na het afschaffen van hun index. Gezien de hevige polemiek rond dit thema zou men redelijk grote effecten verwachten. We kijken hier naar de evolutie van de inflatie, de werkgelegenheid en de ongelijkheid in deze verschillende landen in de nasleep van de afschaffing van het indexsysteem.

1. De effecten van (g)een index

De index wordt voornamelijk op basis van twee argumenten onder vuur genomen. Enerzijds zou de indexering van de lonen een versterkend effect hebben op de inflatie en anderzijds zou het de werkgelegenheid beperken. Het Belgische systeem van automatische loonindexeringen zorgt ervoor dat de lonen stijgen wanneer de inflatie is toegenomen. Afhankelijk van het specifieke indexsysteem gebeurt dit op gezette tijdstippen (bijvoorbeeld jaarlijks, zesmaandelijks of driemaandelijks) of afhankelijk van de snelheid van de inflatie, met name bij de spilindex. Door de automatische aanpassing van de lonen aan de gestegen levensduurte wordt er gevreesd voor zogenaamde tweederonde-effecten door een loon-prijsspiraal: de prijzen stijgen, waardoor de lonen stijgen, waardoor de kosten voor bedrijven stijgen die op hun beurt weer de prijzen laten stijgen. De index zal zo voor meer inflatie zorgen.

Beperkte inflatie is niet noodzakelijk een probleem, maar in een context van een eenheidsmunt waar de hogere inflatie niet gecorrigeerd kan worden door een vlottende wisselkoers loopt een lidstaat een concurrentienadeel ten opzichte van de rest van de muntunie bij hogere prijzen en lonen. Deze effecten spelen in beide richtingen. Als de inflatie laag is (zoals nu het geval is), dan stijgen de lonen niet of wordt het legaal om nominale loondalingen door te voeren in het geval van deflatie. Dit kan leiden tot een deflatoire loon-prijsspiraal. De automatische indexering van de lonen zou dus zorgen voor een inflatiecijfer dat afwijkt van de inflatie in de buurlanden zonder indexering, en dat in beide richtingen.

Naast de vrees voor tweede ronde effecten op de inflatie, halen tegenstanders van een automatische indexering van de lonen ook de (negatieve) gevolgen voor de werkgelegenheid aan als argument om een afschaffing te bepleiten. De automatische loonindexering zorgt er namelijk voor dat de koopkracht redelijk op peil blijft. Een beleid van loonmatiging via reële loonsvermindering (eventueel door een loonstop in combinatie met inflatie) is daardoor moeilijk door te voeren. De gegarandeerde loonstijging prijs de Belgische economie op die manier uit de internationale markt. Nederland en Duitsland zijn twee voorbeelden van landen die al vaker voor een loonmatigingsbeleid kozen, maar ook in België zijn er veel voorstanders van een loonmatigingsbeleid voor meer werkgelegenheid en is dit in de praktijk gezet door de devaluatie van de Belgische frank in 1982 en de loonstop en indexhervorming in het Globaal Plan van de regering Dehaene II. Deze maatregelen lijken sterk op de beleidslijn vandaag.

Daartegenover staan de voorstanders van het systeem van loonindexeringen die vrezen dat een afschaffing van het systeem de ongelijkheid zal doen toenemen. In het huidige systeem worden namelijk alle lonen geïndexeerd, onafhankelijk van de precieze hoogte van het loon. Ook in sectoren waar de vakbonden en werknemers eerder zwak staan worden de lonen aangepast aan de levensduurte. Let wel, in een beperkt aantal sectoren geldt dit enkel voor de minimumlonen. Zonder dit systeem kan men verwachten dat de lagere lonen in sectoren met een beperkte productiviteitsstijging of onderhevig aan sterke competitie niet even snel zullen stijgen als de hogere lonen of de lonen in sectoren waar die condities niet bestaan. Men kan dus verwachten dat de loondistributie uitgerekt zal worden en de ongelijkheid zal stijgen

2. Index afschaffen: lessen uit het buitenland

Heel wat studies en simulaties hebben getracht de boven vernoemde effecten van een loonindex (of de afschaffing ervan) in te schatten. Vreemd genoeg wordt echter zelden verwezen naar de ervaringen in landen die een indexmechanisme hadden en beslisten op dit af te schaffen. Tot voor enkele jaren stond België namelijk niet alleen in Europa dit stelsel. Ook Nederland, Denemarken, Frankrijk en Italië kenden een automatische aanpassing van de lonen aan de levensduurte (Eurofound, 2012). Nederland en Denemarken beslisten in 1982 om dit systeem af te schaffen, vooral omdat ze de loonevolutie wilden beperken dus hoopten op een verhoogde werkgelegenheid. Frankrijk en Italië die hun systemen respectievelijk in 1983 en 1993 afschaften, deden dit in de eerste plaats omwille van een zorgwekkende inflatie.

In wat volgt bekijken we enkele descriptieve statistieken over de inflatie, de werkgelegenheid en de ongelijkheid in deze drie landen. Op deze manier proberen we een zicht te krijgen op de effecten van een afschaffing van een loonindexering. We merken op dat het hier gaat om een descriptieve analyse. We kunnen het effect van de loonindexering niet isoleren van andere beleids- en contextvariabelen. Bovendien kunnen landen mee profiteren van beleidswijzigingen bij handelspartners (of daar nadeel van ondervinden). Maar gegeven het belang dat gehecht wordt aan de loonindexering in het nationale (en Europese) debat rond het te volgen beleid in België, kunnen we toch verwachten dat een afschaffing ervan een merkbare invloed heeft op de drie aangehaalde factoren: inflatie, werkgelegenheid en ongelijkheid.

2.1.Inflatie

Het was de expliciete bedoeling van de afschaffing van de index in Italië en Frankrijk om de inflatie onder controle te krijgen. Zeker in Italië had men traumatische ervaringen met een oplopende inflatie in de jaren 1970. Figuur 1 toont de jaarlijkse inflatie in de betrokken landen en in België. Wat ten eerste opvalt, is de convergentie van de inflatiecijfers in de laatste decennia. Dit is een rechtstreeks gevolg van de invoering van de Euro en de criteria om tot te treden tot de EMU.

De grafiek laat toe de verandering in de inflatie na het afschaffen van de automatische indexering te duiden. Voor Frankijk gaat het om de periode na 1983, voor Italië om de periode na 1993. We zien inderdaad in beide gevallen een daling van de inflatie, maar geen duidelijke trendbreuk. Ten eerste was voor de afschaffing de neerwaartse trend in alle gevallen reeds ingezet, en ten tweede daalde de inflatie even sterk in België, waar het systeem niet veranderde. Hoewel de motivatie voor de afschaffing van de automatische loonindexering in Nederland en Denemarken in 1982 verschillend was, vinden we ook in deze landen geen duidelijke ommekeer van de inflatie-evolutie.

Figuur 1: Evolutie van consumptieprijzen

 

 

figuur1In ‘De Perfecte Storm’ betogen Peersman en Schoors (2012) dat het ruwe inflatiecijfer niet de juiste graadmeter is. Wat een index vooral doet is het versterken van de schommelingen in de inflatie, zowel bij hoogtes als bij laagtes. Zij vergelijken daarom de evolutie van de index in België met de gemiddelde inflatie in de eurozone. Om het effect van de afschaffingen van de index in de jaren 1980 te bekijken vergelijken we in figuur 2 de afwijking van de jaarlijkse inflatiecijfers van het OESO-gemiddelde.

Uit de grafiek blijkt dat de inflatiecijfers van de meeste landen onder het OESO-gemiddelde liggen. De uitzondering is Italië in de jaren 1970 en 1980. Kijken we echter eerst naar Frankrijk rond 1983 en Italië rond 1993, dan merken we in Frankrijk inderdaad een duidelijke trendbreuk op. Waar het verschil met het OESO gemiddelde de hoogte inging tussen 1981 en 1983, zien we een relatief constante daling van de inflatie t.o.v. het OESO gemiddelde na 1983. Voor Italië zien we een stabiele trend en erna een stijging van het verschil tegenover het OESO gemiddelde in de negatieve zin. Van een duidelijk zichtbare trend kunnen we echter moeilijk spreken. Ook voor Denemarken en Nederland, die hun index niet om deze reden afschaften, is het moeilijk om een duidelijk patroon waar te nemen. Beide inflatiecijfers liggen dichter tegen het OESO gemiddelde in de jaren na de afschaffing, maar dit patroon is enerzijds vrij algemeen en anderzijds nog meer uitgesproken voor België dat zijn index niet afschafte. Het inflatiecijfer van België is trouwens nooit uitgesproken hoog of laag, behalve in de meest recente periode waar de inflatie bijvoorbeeld in 2006 en 2008 enigszins boven het OESO gemiddelde uitkomt. Dit heeft echter niet geleid tot een sterkere recessie in ons land.

Figuur 2: Verschil inflatie tegenover OESO gemiddelde

figuur2Harde conclusies trekken over het effect van een afschaffing van de index op de inflatie is moeilijk op basis van de ervaringen in het buitenland. In Frankrijk lijkt het erop dat de afschaffing een effect had op de stijgende inflatie, maar voor andere landen is dat niet of veel minder het geval. Voor het in de hand houden van de inflatie lijkt een afschaffing van de index alvast geen wonderoplossing.

2.2.Werkgelegenheid

Hoge loonkosten waren de belangrijkste drijfveer voor Nederland en Denemarken om de index af te schaffen in 1982. De hoop bestond (en bestaat momenteel bij ons) dat een afschaffing van de index zou leiden tot lagere lonen en zo tot meer werkgelegenheid. Logischerwijs zou men dus een effect moeten zien op de werkloosheid en de werkgelegenheidsgraad volgend op de indexafschaffing. In figuur 3 tonen we de langetermijnevolutie van de werkloosheidsgraad voor de verschillende landen. In Denemarken is 1982 inderdaad het moment van een trendbreuk en zien we een daling van de werkloosheidscijfers die zich voor meer dan 5 jaar doorzet. In Nederland is dit echter niet het geval. In de eerste jaren na de afschaffing zet de verhoging van de werkloosheid zich door (hetzij minder sterk) en het is pas na 2-3 jaar dat een verlaging zich inzet. De werkloosheidsgraad van Nederland en België is echter pas gaan divergeren in de jaren 1990.

Ook voor Frankrijk en Italië betekende de afschaffing van de index geen directe trendbreuk in de positieve zin. De stijgende trend van de werkloosheid in Frankrijk zette zich eenvoudigweg door. De situatie in Italië is nog frappanter. Daar is het moment van de indexafschaffing een trendbreuk in de verkeerde richting: de werkloosheid stijgt na de afschaffing van de index, na een daling in de voorgaande jaren.

Figuur 3: Werkloosheidsgraad

figuur3

De werkloosheidscijfers kunnen beïnvloed worden door de uitbreiding van de actieve bevolking. Daarom moeten we ook kijken naar de werkgelegenheidsgraad, de proportie werkenden tegenover de bevolking op actieve leeftijd. Deze evolutie wordt weergegeven in figuur 4. Voor Denemarken zien we een stijgende trend na 1982. In Nederland is er pas vijf jaar later, in 1987, een duidelijke trendbreuk merkbaar. Die zet zich wel sterk door. In Frankrijk zien we helemaal geen trendbreuk en in Italië zien we zelf een daling van de werkgelegenheidsgraad na 1993 die pas goedgemaakt wordt na 2000.

Figuur 4: Werkgelegenheidsgraad

figuur4

Alweer is het plaatje niet eenduidig. De sterke resultaten van Nederland tonen zich pas na enkele jaren, terwijl die zich in Denemarken direct voordoen. Het is dan ook onduidelijk in welke mate deze effecten toe te schrijven zijn aan de indexaanpassing. Ook hier moeten we dus concluderen dat een afschaffing van de index niet automatisch leidt tot een verlaging van de werkloosheidscijfers en een stijging van de werkgelegenheidsgraad.

2.3.Ongelijkheid

Waar de voorstanders steevast wijzen op de positieve effecten van een indexafschaffing op de inflatie en werkgelegenheid, vrezen de tegenstanders dat een afschaffing van de index zal leiden tot meer ongelijkheid. Helaas is het bijzonder moeilijk om data te vinden over ongelijkheid die teruggaan tot de jaren 1970. De database waarop ook Capital in the XXIst Century van Thomas Pikkety (2014) op gebaseerd is, geeft ons het meest volledige beeld. In figuur 5 geven we de ‘inverted pareto-lorenz coefficienten’[1] voor de verschillende landen. Hoe hoger het cijfer, hoe hoger de ongelijkheid.

In de nasleep van de afschaffingen in Denemarken en Nederland in 1982 zien we een stijging van de ongelijkheid in Denemarken en wat lijkt op een daling in Nederland. De Nederlandse evolutie is echter gebaseerd op een schatting van 1981 en een tweede in 1985, en moet dus met een de nodige voorzichtigheid bekeken worden. Vooral ook omdat andere bronnen soms andere trends aangeven voor Nederland dan de hier voorgestelde data (Van den Brakel-Hofmans, 2007). In Frankrijk zien we een trendbreuk op het moment van de afschaffing van de index in 1983 met eerst een lichte en daarna een snellere stijging van de ongelijkheid tot gevolg. In Italië zien we ten slotte eveneens een (verdere) stijging van de ongelijkheid na de afschaffing van de index, maar die tendens was al begonnen voor 1993. Daarnaast hebben we hier geen referentiepunt zoals de ongelijkheid in de Eurozone of Europa om te kijken of de evoluties uit de band lopen of niet. Voor België bestaan helaas geen betrouwbare data over ongelijkheid die ver genoeg teruggaan in de tijd.

Figuur 5: Ongelijkheid

figuur5

Opnieuw moeten we concluderen dat er geen eenduidige en directe relatie is tussen het afschaffen van de index en de stijging van de ongelijkheid. De ongelijkheid steeg in de meeste landen in de nasleep van de indexafschaffing.

3. Conclusie: doet het er dan wel toe?

De automatische indexering van de lonen is een onderwerp van veel discussie. De tegenstanders van de index schermen met een getemperde inflatie en meer werk als belangrijkste voordelen van een afschaffing. De voorstanders van het behoud vrezen voor meer ongelijkheid en minder werk.

In deze paper keken we naar de effecten op deze drie indicatoren in landen die in het verleden hun automatische indexering afschaften. Hebben deze landen een daling van hun inflatie gevoeld (of een normalisering)? Zijn de werkloosheidscijfers gaan dalen en hoe zit het met ongelijkheid als neveneffect? De geobserveerde evoluties zijn samengevat in tabel 1.

Tabel 1: Samenvatting

Table1

Op basis van de geobserveerde tijdsreeksen in deze paper kunnen we niet anders dan concluderen dat er geen eenduidige effecten zijn. In sommige landen daalt of normaliseert de inflatie inderdaad na een indexafschaffing, maar in andere niet. In bepaalde landen zien we een daling van de werkloosheid en een stijging van de werkgelegenheidsgraad, in andere landen net het omgekeerde. Inzake ongelijkheid zien we een stijging in drie van de vier landen. Enkel Nederland noteert een daling, maar de gegevens voor Nederland zijn minder gedetailleerd dan voor de andere landen.

Het gebrek aan duidelijke relaties kan met veel zaken te maken hebben. Enerzijds was het indexmechanisme al aardig uitgehold in de bestudeerde landen alvorens men besliste om het systeem definitief af te schaffen. Anderzijds zijn er talloze andere factoren die net zo goed – misschien zelfs nog meer – effect hebben op de inflatie, werkgelegenheid en ongelijkheid. We kunnen via deze oefening de effecten van de indexafschaffing moeilijk isoleren. In Nederland zijn de werkgelegenheidscijfers bijvoorbeeld deels te verklaren door de deeltijdse tewerkstelling.

Hoewel het debat op de scherp van de snee gevoerd wordt en het politieke gewicht dat eraan gegeven wordt erg groot is, blijkt de afschaffing (of het behoud) van de index helemaal geen garantie te zijn voor een gezonde inflatie, werk en een gelijke samenleving. Een mirakeloplossing is het niet, als er al een inflatieprobleem zou zijn in deze tijden. Ook de weerbaarheid van de Belgische economie doorheen de Grote Recessie stuurt niet aan op een wijziging van deze sociale afspraken. Het gevaar bestaat dat een symboolstrijd enkel slachtoffers maakt, en nalaat de beleidsmaatregelen te nemen die het aantrekken van de economie versterken zonder ongelijkheid te creëren.

 

Referenties

Atkinson, A. B., Piketty, T., & Saez, E. (2012). Top Incomes in the Long Run of History. Institute for Research on Labor and Employment. Retrieved from http://escholarship.org/uc/item/8fd8654h

Mouton, A. (2014, November 2). De nieuwe index is een zwaktebod. Trends. Retrieved from http://trends.knack.be/economie/de-nieuwe-index-is-een-zwaktebod/article-opinion-222295.html

Peersman, G., & Schoors, K. (2012). De perfecte storm. Agora/ Tempus.

Piketty, T. (2014). Capital in the Twenty-First Century (First Edition edition.). Cambridge Massachusetts: Belknap Press.

Van den Brakel-Hofmans, M. (2007). De ongelijkheid van inkomens in Nederland. CBS Sociaaleconomische Trends, 7–11.

 

Auteurs

Stan De Spiegelaere is onderzoeker aan het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving) en actief bij Poliargus

Sem Vandekerckhove is onderzoeker aan het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving)

 

[1]De ‘inverted pareto-lorenz coefficienten kijken vooral naar het aandeel van de topinkomens om de ongelijkheid in een land te bepalen (Atkinson, Piketty, & Saez, 2012).