De sociaaldemocratie in West-Europa is op zoek naar een nieuw paradigma[2]. De financieel-economische crisis en het compleet gebrek aan antwoord dat links op deze klaar had, hebben een belangrijke impuls gegeven aan ideologische herbronning. De crisis haalde het nieuwe wereldbeeld onderuit dat sociaaldemocratische partijen eerder, aan het eind van de jaren negentig, had aangezet tot een vernieuwing (voor sommigen modernisering, voor anderen verloochening) van hun programma’s. Onder invloed van de tegenvallende electorale resultaten voor sociaaldemocratische partijen doorheen Europa in opeenvolgende verkiezingen en het vastgestelde onvermogen te wegen op het maatschappelijke debat was de noodzaak van nieuwe ideologische herbronning reeds voor de crisis aan de orde.
In dit essay onderzoek ik de oorzaken en de inhoudelijke invulling van deze ideologische herbronning. Een kritische analyse leidt mij tot de conclusie dat de gangbare voorstellen ofwel slechts cosmetische ingrepen voorstellen om het bestaande ‘derde weg’ paradigma te behouden, ofwel er onvoldoende in slagen de terechte kritiek op dit paradigma en het huidige systeem om te zetten in een wervend alternatief. Op die manier dreigt de sociaaldemocratie haar irrelevantie te bestendigen.
Een veel radicalere kritiek van de neoliberale globalisering biedt wel het perspectief tot het hermobiliseren van zowel de traditionele achterban als de hoger opgeleide progressieve middenklasse. Dit nieuwe paradigma moet breken met de obsessie met competitiviteit, de instrumentalisering van arbeid en de visie op de burger als individueel consument, premissen die Europees centrumlinks zich het laatste anderhalve decennium heeft eigen gemaakt. In de plaats moet de sociaaldemocratie opnieuw voluit durven pleiten voor herverdeling en een aantrekkelijke utopie van het goede leven en de goede samenleving verdedigen. De financieel-economische, klimaat- en energie-uitdagingen waarmee we thans geconfronteerd worden bieden een gunstige voedingsbodem om dergelijk nieuw sociaaldemocratisch paradigma in te planten.
Voorbij de derde weg naar links?
Al voor de crisis was binnen de sociaaldemocratie het besef gerijpt dat de vette jaren, die begonnen leken met de verkiezing van New Labour in het Verenigd Koninkrijk in mei 1997, wel van zeer korte duur waren geweest. In 2000 hadden 11 van de 15 toenmalige EU lidstaten sociaaldemocratische of centrumlinkse eerste ministers. Vandaag zijn dat er in ‘oud Europa’ slechts vier. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren worden verklaard: electorale conjunctuurgolven, politiek personeel, ongelukkig regeringsbeleid, schandalen, enz. Steeds vaker werden echter ook terechte vraagtekens geplaatst bij het paradigma dat West-Europese sociaaldemocratische partijen in de tweede helft van de jaren negentig hadden aangenomen: ‘de derde weg’.
Dit derde weg denken was het antwoord dat de Britse sociaaldemocraten in de jaren negentig hadden ontwikkeld op de voorspelling van het einde van de sociaaldemocratie door Ralf Dahrendorf in 1983. Deze apocalyptische visie leek nadien inderdaad bevestigd door nog een lang decennium neoliberale hoogtij. Anthony Giddens, de intellectuele vader van de derde weg, vat dit denken in een recente Policy Network paper nog eens samen[3]. Een verander(en)de wereld –de versnelling van de globalisering, de ontwikkeling van een postindustriële diensten- en kenniseconomie en de totstandkoming van een meer geïndividualiseerd burgerschap– zette sociaaldemocraten aan om de manieren te herzien waarop ze hun kerndoelstellingen van solidariteit, gelijkheid en het beschermen van de meest kwetsbaren kunnen realiseren. Dit leidde voor een aantal invloedrijke zichzelf links oriënterende denkers tot de conclusie dat het tijdperk van Keynesiaans vraaggericht economisch beleid en staatsgestuurd industrieel beleid definitief voorbij was. Links moest aanvaarden dat economische groei een voorwaarde is voor, en dus primeert op, herverdeling en de suprematie van de vrije markt voor zulke welvaartscreatie erkennen. Liberalisering, privatisering en deregulering moesten bijgevolg worden omarmd in plaats van bestreden, en onder links bestuur worden verder gezet. Nieuw beleid was bovendien niet alleen een economische noodzaak maar evengoed een electorale. De overgang van een fordistische naar een postindustriële samenleving betekende een inkrimping van het traditionele arbeiderspubliek. Om in de toekomst nog verkiezingen te winnen moest een linkse partij dus een nieuw kiespubliek aanboren en dat zou niet meer lukken met de traditionele programma’s en slogans. Aldus het derde weg discours.
Deze ideologische vernieuwing van de sociaaldemocratie werd ingezet in het Verenigd Koninkrijk. Onder invloed van de historische overwinning van New Labour in 1997 onder leiding van Tony Blair werd ze eerst door de SPD onder leiding van Schröder en nadien door vele andere West-Europese sociaaldemocratische partijen overgenomen[4].
In de kern aanvaardde de sociaaldemocratie aldus het primaat van internationale competitiviteit in een geglobaliseerde wereld[5]. Uit deze assumptie volgde de logische conclusie dat staten geen andere beleidskeuze hebben dan zich zo goed mogelijk te positioneren in de strijd om het aantrekken van schaarse investeringen. Dit leidde tot nieuwe beleidsaccenten voor sociaaldemocraten: van herverdeling en bescherming van zwakkeren naar activering van de arbeidsmarkt, de instrumentele invulling van onderwijs als belangrijkste instrument van emancipatie[6], ondersteuning van het bedrijfsleven, algemene afbouw van maatregelen die de internationale concurrentiepositie verslechteren, etc. Deze paradigmatische vernieuwing behelsde niet enkel een zoektocht naar nieuwe instrumenten voor dezelfde doelstellingen in een nieuwe context, zoals het door haar bedenkers werd voorgesteld. Critici stelden terecht ook een sluipende nieuwe invulling van ‘gelijkheid’ als de belangrijkste norm voor de sociaaldemocratie vast. Deze werd niet langer gedefinieerd als materiële gelijkheid maar als sociale inclusie door gelijkheid van kansen.
De sociaaldemocratie die zich begin jaren negentig in de touwen bevond en de suprematie van het neoliberalisme lijdzaam moest ondergaan, leek hiermee een nieuwe adem te hebben gevonden. Na lang zoeken geloofden sociaaldemocratische leiders met het derde weg denken eindelijk een coherent links antwoord te hebben gevonden op de post-fordistische geglobaliseerde wereld. Er was wat scepticisme in linkslinkse hoek, die over een overgave aan het neoliberalisme sprak, maar dat de kiezer eind jaren negentig in gans West-Europa opnieuw sociaaldemocratische regeringen aan de macht bracht, zagen de derde weg adepten als het bewijs van het eigen gelijk.
Nauwelijks een vol decennium later blijkt de wederopstanding van links een ‘red shoot’ van zeer korte duur. Dit zet sociaaldemocratische denkers opnieuw aan tot herbronning waarbij er ook transnationale communicatie tussen denkers en denktanks plaatsvindt. In dit herbronningsproces is thans een strijd om het duiden van de snelle wederneergang van de sociaaldemocratie aan de gang. Het zijn opnieuw de kringen rond New Labour die zich het initiatief hebben toegeëigend. Daar schuift men de volgende analyse naar voren. In Groot-Brittannië is New Labour soms te ver doorgeschoten in haar vernieuwingsproces. Maar in de rest van Europa zijn linkse partijen net niet ver genoeg gegaan in het herzien van hun programma’s volgens de derde weg voorschriften. Niet toevallig heeft New Labour veel langer een absolute meerderheid[7] behouden (van 1997 tot 2010) dan andere linkse partijen in West-Europa in een (coalitie)regering zijn blijven zitten. Deze analyse wordt ook buiten Groot-Brittannië gemaakt, bijvoorbeeld door ex-PvdA leider Wouter Bos in zijn Joop den Uyl-lezing getiteld ‘de derde weg voorbij’[8].
Giddens en co. hebben gelijk er op te wijzen dat New Labour langer aan de macht is gebleven dan andere Europese sociaaldemocratische partijen. In tegenstelling tot hen meen ik dat dit niet het gevolg is van het onvoldoende volgen van de recepten van de derde weg in andere landen, maar net teveel. Het is namelijk een grove vergissing de Britse politieke context naar de continentaal Europese situatie te transponeren. Naast andere verschillen heeft dit vooral met het verschillende kiessysteem te maken. Het Britse meerderheidssysteem verplicht New Labour te strijden om de centrumkiezer. De derde weg, die uitgaat van de ondertussen hegemonische premisse dat globalisering de beleidsautonomie van overheden grondig heeft beperkt, was een strategisch schitterend antwoord op de specifieke situatie waarin New Labour zich in het midden van de jaren negentig bevond. Het liet haar toe de middenklasse, die niet (meer) moest weten van de recepten van ‘Old’ Labour, aan te spreken, terwijl ze dit aan haar traditionele kiespubliek kon verkopen met de simpele slogan: ‘there is no alternative’. Anders is de situatie in de meeste landen in West-Europa. Waar sociaaldemocratische partijen daar teveel zijn opgeschoven naar het centrum hebben ze ruimte gemaakt voor partijen links van hen (zie o.a. SP in Nederland, die Linke in Duitsland) terwijl ze in het centrum niet kunnen concurreren tegen partijen die zich daar historisch thuis voelen en marktleider zijn op de onderwerpen die centrumkiezers bezighouden.
De financieel-economische crisis: voorrang of crisis van links?
De crisis haalde de fundamenten onderuit waarop de derde weg ideologische herbronning van links in de jaren negentig was gebouwd. De crisis bewijst de inherente instabiliteit en inefficiëntie van ongetemde vrije markten. De reactie op de crisis toont ook aan dat veel van de recepten die gisteren nog dood werden verklaard plots weer springlevend zijn. Keynesianisme en economische interventie, meer en betere regulering, een taks op internationale financiële transacties, belastingen op excessieve bonussen en op superrijken, enz. Opeens blijken al deze maatregelen waarover we zo vaak hebben moeten horen dat ze in een geglobaliseerde wereld gelijk staan met nationale zelfmoord wel mogelijk en zelfs nodig te zijn. Sinds de crisis is dit niet enkel aan linkerzijde te horen en zijn zulke maatregen absoluut niet alleen door linkse partijen geïmplementeerd. De financieel-economische crisis had op die manier bewerkstelligd waar de sociaaldemocratie lang niet meer in was geslaagd: het centrum van het economische debat naar links te verschuiven, zij het zeer tijdelijk.
Dit is echter geen reden tot juichen. Het is dramatisch dat links bij de crisis stond en er naar keek. Niet alleen waren sociaaldemocratische partijen mee verantwoordelijk voor sommige van de maatregelen die tot deze crisis hebben geleid. Ook ideologisch hadden ze zichzelf ontdaan van de lenzen om deze crisis mee te bekijken en te duiden. Het aanvaarden van de onvermijdelijkheid en zelfs de wenselijkheid van een mondiale gedereguleerde vrije markt –die door sociaaldemocraten van haar scherpste kantjes kan worden ontdaan– en het geloof dat gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid kan worden bewerkstelligd door een links aanbodbeleid –gericht op onderwijs en activering van de arbeidsmarkt– betekende nefaste zelfontwapening op het moment dat de ergste crisis sinds de Grote Depressie in de jaren dertig van vorige eeuw zich voordeed.
Daardoor geraakte links niet verder dan het populistisch toeschuiven van de zwarte piet aan zelfzuchtige, gulzige bankiers. Maar ook daarin werden sociaaldemocraten bijgetreden door centrumrechtse en overtroefd door populistische partijen. Door de schuld voor de crisis enkel bij het onverantwoordelijke gedrag van een kleine groep individuen te leggen blijft het systeem uiteraard buiten schot. Links slaagde er niet in overtuigend te argumenteren dat de crisis ook en meer fundamenteel te wijten was aan een globaliseringszeepbel en een historisch hoog niveau van ongelijkheid in westerse samenlevingen.
Wat we moeten vaststellen is dat het ontberen van een coherente en overtuigende kritiek van de neoliberale globalisering toelaat dat al heel snel na de crisis de consensus over de noodzaak van meer staatsinterventie is weggesmolten en opnieuw neoliberaal discours en beleid heersen. Een disciplinerende aanval van de financiële wereld op Griekenland heeft besparingspaniek veroorzaakt onder West-Europese politici, waarbij, in beleid of partijprogramma’s, soms het felst wordt gesneden in voorzieningen voor de minstbedeelden. Socialisten slagen er niet in daar een wervend antwoord tegenover te plaatsen als het pleiten voor herverdeling als budgetneutrale stimuleringsmaatregel, omdat het zichzelf op die wijze denken heeft afgeleerd.
De crisis werd dus ook een crisis van links doordat het haar pijnlijk met het eigen ideologische vacuüm confronteert. Een nieuwe herbronning om dit vacuüm op te vullen is het logische gevolg. Het is dan ook teleurstellend om vast te stellen dat de voorstellen die circuleren ofwel gewoon flauwe recyclage zijn ofwel er niet in slagen hun verdienstelijke kritiek om te zetten in een wervend alternatief.
Paradigmatische restauratie en voorzichtige kritiek[9]
Zoals gezegd stellen denkers in en rond het Policy Network een verderzetting van het derde weg denken en beleid voor met hier en daar wat cosmetische ingrepen. In het boek ‘Beyond New Labour’ stellen Rogger Liddle en Patrick Diamond[10] ‘developmental state’ als nieuw sociaaldemocratisch paradigma voor. Dit is voor de auteurs een staat met sterkere en meer gefocuste strategische capaciteiten dan de huidige West-Europese staten. De developmental state zou minder minimalistisch zijn dan de enabling state van New Labour. Volgens dit nieuwe paradigma moet de staat via haar strategische capaciteiten opnieuw durven ingrijpen in de markt om deze te ordenen. Het flexicurity model blijft als voorbeeld worden gezien, wat in se meer van dezelfde focus betekent op onderwijs als instrumentele vaardighedenontwikkeling (gericht op “employability”), activering van de arbeidsmarkt, infrastructuur en onderzoek, etc. Deze kenmerken van de enabling state moeten in het nieuwe paradigma worden aangevuld met een hedendaags (groen en kennis-)industrieel beleid dat focust op bepaalde sectoren, technologieën en regio’s die door de staat als strategisch worden geïdentificeerd. Het is vergeefs zoeken naar de verschillen met de enabling state van New Labour. De basisideeën van een concurrentiestaat en gelijkheid als sociale inclusie blijven overeind. De ‘nieuwe’ focus op een actievere industriële rol voor de overheid is ook lang niet zo nieuw als wordt voorgesteld.
Andere voorstellen die elders naar voren worden geschoven zijn kritischer voor het derde weg denken. Enkele verdienstelijke analyses vinden we terug bij de Friedrich-Ebert Stiftung. Zo analyseert Alfred Pfaller[11] de situatie van sociaaldemocratische partijen in negen West-Europese landen en formuleert op die basis zeven programmatische voorstellen voor sociaaldemocratische vernieuwing. Pfaller komt tot de terechte conclusie dat de Europese Sociaal-Democratie bang is geworden om nog sociaaldemocratisch te zijn. Het mist de ideologische overtuiging en daaraan ontleende kracht om de kapitalistische ontwikkelingen vorm te geven en holt daardoor alsmaar achter de feiten aan. Om de ondergang van de sociaaldemocratie om te buigen is een project nodig dat sterk genoeg is om de huidige uitdagingen het hoofd te bieden en wervend genoeg om een heterogene meerderheid van de bevolking aan te spreken. Pfaller ziet die mogelijkheid in een project dat als ambitie heeft ‘het kapitalisme te temmen’ en haar productieve en creatieve krachten ten dienste te stellen van de menselijke ontwikkeling. De auteur stelt terecht dat dit impliceert dat competitiviteit op internationale markten niet langer de primaire doelstelling van sociaaldemocratisch economisch beleid mag zijn. Terwijl deze analyse vele interessante ideeën bevat, moeten we vaststellen dat de zeven voorstellen die de auteur formuleert aan creativiteit ontberen en soms zelfs inconsequent zijn. Beter scoort op dat vlak de analyse en het sociaaldemocratisch project van FES directeur Ernst Hillebrand[12]. De kritieken op de huidige westerse samenlevingen, producten van een neoliberaal tijdperk, en sommige componenten van de derde weg zijn overtuigend geformuleerd. Hillebrand pleit terecht om van de herverdelende welvaartsstaat opnieuw de kerndoelstelling van de sociaaldemocratie te maken en wijst er, tegen de stroom in, op dat er hiervoor nog veel economische ruimte is. Ook schuift hij een actieve in plaats van activerende staat en het vervangen van de consumptiemaatschappij door een nieuwe visie op de goede samenleving als belangrijke sociaaldemocratische doelstellingen naar voor. Hoe de sociaaldemocratie kan zorgen daar te geraken is niet altijd even duidelijk. Hillebrand ziet nog vele obstakels op weg naar deze utopie, zoals de heterogenisering en individualisering van de samenleving.
Een tijdperk van crises: kansen voor radicale sociaaldemocratische herbronning
Het huidige tijdsgewricht biedt mogelijkheden tot een meer radicale herbronning van links die verdergaat dan de meeste gematigde voorstellen die thans in sociaaldemocratische denktanks en andere kringen circuleren. Ik zou zelfs durven stellen dat de situatie dit noodzaakt wil de sociaaldemocratie vermijden te worden doodgeknepen tussen neoliberalisme en extremisme/populisme.
De financieel-economische crisis, die samenvalt met een wereldwijde klimaat- en energiecrisis, kan een keerpunt inluiden voor de globalisering zoals we die de voorbije decennia hebben gekend. Van alle economische indicatoren viel de handel na de crisis het meest terug. Dit is onder andere het gevolg van nationale herstelplannen die vooral ontworpen zijn om de eigen economie te ondersteunen. Het is te verwachten dat dit zich niet snel of duurzaam zal herstellen. Naast ongepaste financiële regulering in de VS en andere geïndustrialiseerde landen dat de rechtstreekse aanleiding voor de kredietzeepbel vormde, hebben ook mondiale handelsonevenwichten een rol gespeeld, wat we een globaliseringszeepbel kunnen noemen. De lessen die hieruit getrokken worden zullen wellicht leiden tot een grotere nadruk op binnenlandse vraag in plaats van export in huidige overschotlanden, en op binnenlandse productie in plaats van import in huidige tekortlanden. Ook de oplossingen voor de klimaat- en energiecrises zullen leiden tot decentralisering van productie en distributie van energie, maar ook van andere producten en diensten.
Deze evoluties bieden kansen aan sociaaldemocraten om dit proces van ‘deglobalisering’ te begeleiden om rechtvaardigheidsbevorderende neveneffecten te stimuleren. Sociaaldemocraten moeten dit momentum aangrijpen om na te denken over strategieën om dit proces aan te wenden voor de realisatie van de traditionele doelstellingen van gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit.
Dit betekent als eerste, onmiddellijke stap het opnieuw durven bekritiseren van de huidige neoliberale globalisering. Waarom, bijvoorbeeld, laten sociaaldemocraten kritiekloos toe dat via handel producten op de markten komen die geproduceerd zijn via bepaalde praktijken die we in eigen land al lang hebben verboden? Waarom geven sociaaldemocraten zo gemakkelijk toe aan de gedachte (terecht of onterecht) dat door globalisering de rechtvaardige belasting van kapitaal en veelverdieners onmogelijk wordt gemaakt? Deze kritiek vervolgens omzetten in een programma die deze onrechtvaardige situaties aanpakt is wat sociaaldemocraten te doen staat. De kritiek en voorstellen moeten binnen een coherent verhaal worden geplaatst over het goede leven en de goede samenleving. Hierbij moet de sociaaldemocratie durven ingaan tegen de concurrentiesamenleving en de visie op de mens als consumerend individu. Arbeid en onderwijs moeten opnieuw meer in functie van zelfverwezenlijking, emancipatie en samenwerking worden gesteld en niet als bijdragen tot de employability van het individu en de competitiviteit van de staat. Daarbij moet de sociaaldemocratie ook haar dogma van economische groei van zich afgooien en de deugden van vrije en sociale tijd en een schoon milieu benadrukken.
Een radicale kritiek en alternatief voor de huidige neoliberale globalisering, de concurrentiestaat en consumptiesamenleving lijkt om verschillende redenen een ‘winstgevende’ strategie voor de sociaaldemocratie. Ten eerste sluit dit nieuwe verhaal, zoals boven uitgelegd, aan bij de historische fase waarin we ons thans bevinden. De financieel-economische crisis en de klimaat- en energiecrises betekenen dat we het hoogtepunt van globalisering achter de rug hebben en naar een opnieuw meer gedecentraliseerd economisch stelsel gaan, met nieuwe perspectieven voor herverdelend en sociaal beleid. Dat betekent dat een kritiek van en alternatief voor de huidige neoliberale globalisering niet reactief maar net progressief zijn. Daarmee zou de sociaaldemocratie na decennia het probleem herstellen dat het haar ‘progressieve’ status was kwijtgespeeld en was verworden tot een conservatieve beweging die vooral wil behouden wat is verworven.
Ten tweede komt dit paradigma tegemoet aan de uitdaging voor sociaaldemocraten, terecht gediagnosticeerd door derde weg denkers, om in een heterogene samenleving een paradigma te ontwikkelen dat zowel de historische achterban van arbeiders, werklozen en andere minderbedeelden aanspreekt als de meer welgestelde, hoger opgeleide middenklasse. De eerste zijn de grootste verliezers van de globalisering en doordat de sociaaldemocratie ervoor koos deze evolutie te steunen liet het hen over aan populistische en extremistische partijen. Maar ook de tweede groep is ontvankelijk voor een alternatief voor neoliberale globalisering. Onderzoek heeft uitgewezen dat negatieve attitudes ten aanzien van globalisering zich allesbehalve enkel in de lagere inkomenscategorieën bevinden, maar ook bij vele hoger opgeleiden die sceptisch staan ten opzichte van die aspecten van globalisering die indruisen tegen solidaristische en communitaristische normen en waarden. Bovendien heeft globalisering ook negatieve inkomenseffecten op de middenklasse, getuige de tragere groei van het mediaaninkomen ten opzichte van het BNP de voorbije decennia.
Een deglobalisering en politieke en sociale herinbedding van markt betekent geen volledige terugkeer van het primaat van de natiestaten zoals in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. De Europese Unie is een belangrijk gegeven dat tot al meer dan vijftig jaar West-Europese vrede en welvaartsgroei heeft geleid, maar door haar neoliberale institutionalisering van de laatste decennia niet tot meer gelijkheid. De voornoemde crises die ook een existentiële crisis voor Europa lijken te betekenen bieden een unieke mogelijkheid om dat onevenwicht te herstellen en eindelijk door te stoten naar een sociaal Europa. Het is grotendeels in Europees verband dat sociaaldemocraten hun radicale nieuwe agenda moeten trachten te realiseren. Dit veronderstelt dan ook een nog veel intensievere samenwerking tussen partijen op dit niveau.
[1] Dit essay verschijnt in het Engels in het vierde internationale jaarboek van de Stichting Gerrit Kreveld Belgian Society and Politics 2010 – What Next for the Left.
[2] Ik dank mijn collega’s en vrienden Karen Del Biondo en Jan Loisen voor hun gedetailleerde commentaren op een eerdere versie van deze tekst en mijn Manteca-groep kameraden voor onze inspirerende vrijdagnamiddagdiscussies.
[3] Giddens, A. (2009). The rise and fall of New Labour. [PDF]
[4] Hoewel zeker niet steeds even radicaal.
[5] Dit zou op Europees niveau leiden tot de Lissabon Strategie, die in maart 2000, dus in vol sociaaldemocratisch glorietijdperk, werd aangenomen. Deze had de doelstelling van Europa tegen 2010 de meest competitieve en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken.
[6] Waarbij onderwijs wordt gezien als inputfactor voor ‘human capital’ en één van de belangrijkste variabelen waarmee staten zich kunnen onderscheiden in de globale competitiestrijd.
[7] Van zetels, niet van kiezers en nog minder van de Britse bevolking.
[8] Bos, W. (2010). De Derde Weg Voorbij. 21e Den Uyl Lezing, 25 januari 2010. [PDF]
[9] Vanwege het grote aantal paradigmatische vernieuwingsoefeningen die in West-Europa gebeuren, is het onmogelijk om hier alle geproduceerde teksten te bespreken. Interessante analyses zijn o.a. nog terug te vinden bij FEPS’ ‘the next left’, of in eigen land in Rood zonder Roest: Een sociaaldemocratie voor de 21e eeuw (Devos, C. en R. Vander Vennet (reds.), 2009) Bart Martens’ Nieuw land in zicht: Sociaaldemocratisch kompas voor de 21e eeuw (2009). Algemeen gelden de conclusies die ik maak voor de kleine selectie in de tekst ook voor deze.
[10] Niet toevallig mede-grondleggers van New Labour. Het invloedrijke Policy Network leidt ook samen met de Wiardi Beckman Stichting ‘The Amsterdam process – ideologische vernieuwing van de Europese sociaal-democratie’.
[11] Alfred Pfaller. (2009). European Social Democracy – In Need of Renewal: Nine country cases & Seven policy proposals. [PDF]
[12] Ernst Hillebrand. (2009). A Society of Empowered Citizens: Outline of a social democratic project for the twenty-first century. [PDF]
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| 2010-07 Herbronning van de sociaaldemocratie in tijden van crisis.pdf | 738.66 KB |