Wat als we nu eens niet zouden besparen?
Ik wil de organisatoren hartelijk danken om mij uit te nodigen, en om mij deze vraag toe te bedelen. Als ik zelf een provocerende vraag had mogen verzinnen, had ik waarschijnlijk voor deze gekozen.
Ik wil starten met een kleine nuance van wat zal volgen. ‘Besparen’ is maar hoe je het definieert. Het zou bijvoorbeeld ook kunnen betekenen: afstappen van onze fetisj van economische groei, stoppen met onze economie een beslag te laten leggen op deze aarde, en andere werelddelen toelaten om naar ons welvaartsniveau te convergeren. Ik zou daarover een lezing kunnen houden onder de titel ‘wat als we nu eens zouden besparen met visie?’. Maar aangezien ‘besparen’ vandaag niet in die meer visionaire zin wordt gebruikt maar wel als synoniem voor ‘verlaging van de overheidsuitgaven en de loonkosten’, en dat net om opnieuw te kunnen groeien ga ik me houden aan de vraag die me is voorgelegd: ‘wat als we nu eens niet zouden besparen’?
Ik ga eerst kort uitleggen waarom ‘groeien-door-te-besparen’ in deze wereld en dit tijdperk niet kan werken, vervolgens schetsen hoe de logica van competitiviteit die is ingebakken in het Europese project sinds het begin van monetaire integratie aan het leiden is tot Europese desintegratie, en ten slotte argumenteren dat meer overheidsuitgaven (in de vorm van investeringen en herverdeling), liefst via een veel groter gemeenschappelijk Europees budget, een veel betere kans maakt om ons uit de crisis te helpen, en ons nog eens met een betere wereld achter te laten ook.
“Why do we undertake such efforts in support of the euro? It is not to undermine the welfare state; rather, it is to safeguard it. And it is not to hamper growth, but rather to make economic growth and employment possible.” Het zijn de woorden van Herman Van Rompuy na de Europese Top van 11 maart van dit jaar waarop het Euro Plus Pact werd aangenomen waarin voornamelijk afspraken werden gemaakt over strengere regels, toezicht en sancties op ‘fiscale consolidatie’, een typisch eufemisme (of EU-femisme) voor besparingen. Ik twijfel niet aan de goede intenties van Herman Van Rompuy en van de meeste andere Europese leiders. Maar ik meen dat ze verkeerd zijn in hun geloof dat besparingen en ‘structurele hervormingen’ op korte termijn zullen bijdragen tot economische groei, werkgelegenheid en het behoud van de welvaartsstaat.
Economische groei in een land of unie kan, volgens elk handboek economie, van vier kanten komen: consumptie door burgers, investeringen door bedrijven, overheidsuitgaven en export. Momenteel is er sprake van een vermindering van de eerste drie. Burgers moeten in sommige landen schulden afbetalen (bv. vele burgers in Spanje en Ierland schulden aangegaan voor de aankoop van huizen), en bijna overal worden lonen en uitkeringen, en dus de private koopkracht verlaagd. Bedrijven hebben zelden zo weinig geïnvesteerd als het voorbije jaar. Dat is natuurlijk maar logisch, als je weet dat de koopkracht en dus vraag naar je producten en diensten achteruit zal gaan. Alle overheden in de EU zijn hun uitgaven aan het terugschroeven omdat ze bezeten zijn door bespaardrift. Van waar moet groei dan komen? Geen probleem, denken onze leiders, dat moet lukken via export. Want dat, besparen en groeien door export, is toch net wat Duitsland de voorbije jaren heeft gedaan? Alleen vergeten ze daarbij dat niet iedereen tegelijkertijd een handelsoverschot kan boeken. Duitsland kon dat net omdat andere landen in de EU grote handelstekorten boekten. Ook de rest van de wereld zal geen handelsoverschot van de EU opkopen. De VS moet zelf besparen en wil zelf overschotten boeken. President Obama heeft een tijdje terug aangekondigd de Amerikaanse export te willen verdubbelen in 5 jaar. Maar wie gaat dan én Amerikaanse én Europese overschotten absorberen? Sommigen denken dat China en andere groeilanden dat wel zullen doen. Maar dat is niets minder dan onzin. Om intern de sociale rust te kunnen bewaren is berekend dat China moet blijven groeien aan 8% per jaar. Omdat de VS en Europa de broeksriem aanhalen zal ze haar groeimodel een beetje moeten hervormen naar meer eigen consumptie van eigen productie. Het is een illusie te denken dat China ook nog eens massaal Amerikaanse en Europese export kan consumeren. Hetzelfde geldt voor de andere groeilanden.
Hoe komt het dat de Europese leiders in dit ‘groeien door te besparen’ sprookje geloven? Ik meen dat dit voor een groot stuk komt door de obsessie met ‘competitiviteit’, en meer bepaald ‘kostencompetitiviteit’, die al 2 decennia bezig is. Het lijkt wel alsof goedkoper produceren dan andere landen het hoogste doel van politiek is geworden in plaats van zaken als volledige werkgelegenheid, ecologische duurzaamheid, of het verhogen van de levenskwaliteit. Deels is dat dan weer te verklaren door de dominantie van het neoliberale denken, maar deels is het ook een gevolg van de constructie van de Europese monetaire unie (die natuurlijk niet losstaat van dat dominante denken). Iedereen weet dat de eurozone een volledige integratie van de markt, munt en rente heeft, maar geen fiscale integratie. Dat betekent dat een land de andere lidstaten kan beconcurreren via lagere loonkosten, zonder dat de andere landen nog instrumenten hebben om daar op te reageren, tenzij net hetzelfde doen. De eurozone organiseert dus competitie tussen Lidstaten om loonkosten en overheidsuitgaven zoveel mogelijk te beperken. Dat is ook diep doorgedrongen in ons denken: een verhoging van de lonen in Griekenland, waar die ook voor de crisis gemiddeld een stuk lager lagen dan in Noord-Europa, wordt niet gezien als een positieve verkleining van regionale ongelijkheden binnen de Unie die applaus verdient, maar een vermindering van de concurrentiekracht van het land. Een unie die is georganiseerd op basis van competitie, in plaats van solidariteit, is bijna een ‘contradictio in terminis’. En dat begint nu ook te blijken: sinds de eurocrisis zien we naast economische en bestuursproblemen in Europa helaas ook een verwijdering, eerder dan toenadering, tussen Europese volkeren, waarbij verwijten over en weer vliegen tussen bijvoorbeeld de Duitse en Griekse tabloids.
Als ‘concurrerende besparingen’ niet kunnen leiden tot groei, en bijdragen tot desintegratie van de Europese Unie, is er dan een beter alternatief? Mijn gezien het programma niet zo verrassende antwoord is natuurlijk: ja, wat als we nu eens niet zouden besparen? Wat als de Europese Lidstaten nu eens de krachten zouden bundelen om te investeren in een betere, groenere, rechtvaardigere toekomst. Ik zal eindigen met uitleggen waarom we dat kunnen, moeten, en willen.
Het kan omdat de eurozone gemeenschappelijk goedkoop zou kunnen lenen, en door samenwerking gemakkelijk de gemeenschappelijke inkomsten zou kunnen verhogen (bv. in de vennootschapsbelasting, door fiscale competitie tegen te gaan). In de EU klinkt dat vandaag wellicht vreemd in de oren, maar andere landen die er objectief gezien veel slechter voorstaan dan de eurozone als geheel kunnen vandaag ongelofelijk goedkoop lenen, bijvoorbeeld de VS, het VK en Japan. Dat komt omdat door de globale recessie investeerders geloven dat beleggen in bijvoorbeeld aandelen nog minder zal opbrengen.
Publieke investeringen kunnen niet alleen, maar moeten ook. Het is de enige manier om opnieuw te groeien. Ik heb net uitgelegd dat de ‘groeien door besparen’ strategie is gedoemd om te falen. Maar ook bijvoorbeeld belastingsverlagingen voor bedrijven of burgers zal nu waarschijnlijk niet werken. Als bedrijven of burgers niet geloven dat het beter zal gaan, zullen ze extra middelen die ze van de overheid krijgen oppotten, in plaats van te investeren en te consumeren. (Uitzondering zijn de laagste inkomens, die extra geld wel zullen uitgeven om hun levensomstandigheden een beetje te verbeteren, in die zin is herverdeling van middelen wel een groeibevorderende maatregel.) Om groei echt te stimuleren, is enkel investeringen door de overheid zelf een strategie waarvan we zeker zijn.
En dat willen we ook. Investeren in een groener en rechtvaardiger Europa biedt perspectief, perspectief op jobs voor een dreigende verloren generatie (denk aan de 45% werkloze jongeren in Spanje), en perspectief op een betere toekomst. Door tegenstanders van meer overheidsuitgaven wordt wel eens gezegd dat we daardoor leven op krediet van de volgende generaties. Maar is ‘niet alles op alles zetten om de klimaatverandering tegen te gaan’ niet het echte krediet van de volgende generaties waarop we leven? Bovendien verdienen investeringen in energie-efficiëntie en verhoogde productiviteit zich op lange termijn terug.
Hoe dit concreet wordt ingevuld laat ik aan politici over. Maar ik zal een voorbeeld geven dat al eens is voorgesteld maar door tegenstanders heel snel werd geridiculiseerd. Het toont hoe een beetje out of the box denken vandaag snel wordt gemarginaliseerd. Door Noord-Europese landen of vanuit een Europees budget zouden investeringen in hernieuwbare energie in Zuid-Europa kunnen worden gefinancierd, waarna Griekenland goedkope energie zou leveren aan de rest van de EU. Heel snel werd gereageerd dat het een belachelijk idee is dat Griekenland haar schuld zou aflossen met bijvoorbeeld zonne-energie… maar wat is daar zo belachelijk aan? Als private markten kiezen voor de meest rendabele oplossing en dus geld transfereren van land A (waar veel zon of wind is) naar land B (waar weinig zon of wind heerst) heet dat ‘efficiënt’, als de overheid dat doet is het blijkbaar belachelijk.
Hoe haalbaar is dit ‘niet besparen’? Vandaag ben je geneigd tot pessimisme. En inderdaad, het omgekeerde, wel besparen en geen Europese solidariteit maar net meer discipline, is vandaag common sense. En zulke common sense is moeilijk te veranderen. Maar het is niet onmogelijk, het is alleen nodig een beetje buiten het huidige denkkader te treden. Het is niets revolutionairs dat nodig is: een groter budget en eigen middelen voor de unie, een mechanisme om regionale ongelijkheden te verkleinen waren allemaal voorstellen in het Spinelli rapport van 1984. En dat ‘groene investeringen’ een weg zouden kunnen zijn uit tegelijkertijd de economische, klimaat- en energiecrises was heel even een dominant idee in de maanden na de val van Lehman Brothers. Toen sprak bijna iedereen van de noodzaak aan een Green New Deal.
Als slotbedenking: het lijkt dat we in het verleden vooral teveel hebben bespaard op visie. We lijken verleerd te dromen over hoe een samenleving er in, laat ons zeggen, 2050 zou kunnen uitzien. In de plaats zien we politiek bijna uitsluitend als het competitief positioneren van een land in de wereldeconomie, net zoals het managen van een bedrijf. Paradoxaal genoeg is het net zulk gedepolitiseerd, technocratisch beleid dat ons de grootste financieel-economische instabiliteit sinds de jaren 1930 heeft gebracht.
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| Lezing-2011-01 Wat als we nu eens niet zouden besparen? | 388.28 KB |