De impact van de mens op de aarde is enorm. Door onze intensieve economische activiteiten worden grondstoffen steeds schaarser en neemt de concentratie van schadelijke broeikasgassen zoals CO2 en methaan in de atmosfeer alsmaar toe. En daarmee snijden we uiteindelijk onszelf in de vingers. Want zonder grondstoffen is voortzetting van de huidige economie simpelweg niet mogelijk. Deze afhankelijkheid maakt dat deze trends ook een directe impact hebben op tewerkstelling. Want, zo verwoordt het Internationaal Vakverbond (International Trade Union Confederation, ITUC), ‘there are no jobs on a dead planet’.

We horen en lezen dan ook steeds vaker over transities die noodzakelijk zijn om binnen het draagvlak van onze planeet te produceren en consumeren. We moeten evolueren naar een groene economie: een economie die de grenzen van de draagkracht van de aarde respecteert en waarbij uitputting van grondstoffen tot een minimum wordt beperkt. Maar ‘groen’ is niet per definitie ook sociaal. Er zullen niet alleen nieuwe jobs ontstaan in nieuwe, groene sectoren, maar ook jobs verdwijnen in de huidige sectoren. De sleutel tot het succes van een groene economie is dan ook dat het een rechtvaardige transitie wordt, waarbij er alternatieve oplossingen komen voor mensen in moeilijke sectoren en er overlegd wordt met alle betrokkenen.

‘Groen’ is niet per definitie ook sociaal. Er zullen nieuwe jobs ontstaan maar ook verdwijnen. De sleutel tot  succes is een rechtvaardige transitie, waarbij er oplossingen komen voor mensen in moeilijke sectoren en er overleg is met alle betrokkenen.

 Gebrek aan overleg zorgt voor sociale wantoestanden

Uit gesprekken en interviews met vakbondsafgevaardigden blijkt dat een aantal bedrijven zeker inspanningen leveren om hun bedrijf op een duurzamere weg te zetten. Helaas worden deze maatregelen nog te vaak doorgevoerd zonder overleg met de medewerkers, met alle gevolgen vandien.

Neem bijvoorbeeld voormalig mijnbouwbedrijf Umicore. Umicore wordt vaak, terecht, aangehaald als één van de wereldwijde koplopers in het recycleren van zeldzame metalen. De overgang van de organisatie van een klassiek mijnbouwbedrijf naar een materiaaltechnologiebedrijf met focus op het recycleren van zeldzame metalen, verliep echter niet geheel op rolletjes. Als gevolg van de herstructurering moesten bij Umicore Hoboken veel medewerkers op brugpensioen. Hierdoor verdween heel wat knowhow en kennis plots van de werkvloer. Op verschillende afdelingen kwam men hierdoor in de problemen om de productie gaande te houden. Daarnaast zorgde ook de omschakeling naar nieuwe technologieën voor problemen rond veiligheid en gezondheid. Zo waren er explosies aan de nieuwe smelter omdat men de technologie nog niet voldoende onder controle had. Deze onaanvaardbare gevolgen ontstonden door een gebrek aan overleg en opleiding van het personeel in combinatie met het vertrek van de meer ervaren collega’s.

Het vertrek van ervaren personeel zorgde voor heel wat problemen. Overleg en opleidingen hadden dit kunnen voorkomen.

Een ander voorbeeld. Op de Remo-site, in Houthalen-Helchteren, past men het principe van ‘Enhanced Landfill Mining’ (ELFM) toe. De site is een oude stortplaats, waar men op zoek gaat naar grondstoffen die hergebruikt kunnen worden. Naar schatting 45% van het gestorte huishoudelijk en industrieel afval kan terug opgegraven worden voor hergebruik. Materialen als metalen, hout, glas en plastic zijn rechtstreeks recycleerbaar. Het afval waarvoor men geen nuttige toepassing meer kan vinden, wordt verbrand om er elektriciteit uit te winnen. In de toekomst wil men ook een deel van dat afval via een plasma-installatie verbranden tot een soort van stenen en een gas. De stenen kunnen gebruikt worden in bijvoorbeeld tegels of dakpannen. Het gas kan ingezet worden als alternatief voor aardgas.

Dit ‘closing the circle’-project is een initiatief van wetenschappers en Group Machiels. De mensen achter het project maken zich sterk dat er voldoende studies zijn uitgevoerd naar de risico’s op het vlak van veiligheid en gezondheid. Sommige werknemers blijven echter met vragen zitten en betreuren het feit dat er geen kans is tot structureel overleg. Group Machiels is in haar totaliteit dan wel een groot bedrijf, maar de individuele bedrijven die bij haar groep horen zijn kleine NV’s die uit minder dan 50 werknemers bestaan. Daarom is Group Machiels wettelijk niet verplicht om een vakbondsvertegenwoordiging op te richten.

Tot slot nog het voorbeeld van treinbouwer Bombardier, die enkele jaren terug een fors bedrag investeerde in een systeem van gecombineerde verwarming en lasrookafzuiging. Een energiebesparende maatregel met ook een positief effect op de gezondheid van de werknemers. Echter, door een verkeerde plaatsing van het systeem werden werknemers onwel. Met als gevolg dat Bombardier terug een grote investering moest doen om het systeem te verplaatsen. Ondanks de goede reputatie op het vlak van werknemersbetrokkenheid, had het bedrijf beter meteen vanaf het begin haar werknemers betrokken bij de plannen voor de installatie, dan had dit fiasco mogelijk voorkomen kunnen worden.

Had Bombardier vanaf het begin haar werknemers betrokken bij de plannen, dan hadden ze veel kosten kunnen besparen.

 Groene competenties

Minstens zo belangrijk als inspraak van werknemers bij transitieprocessen binnen bedrijven is de aandacht voor begeleiding en de organisatie van opleidingen. Want werknemers die te maken krijgen met grote veranderingen in hun bedrijf moeten hun job op een goede manier kunnen blijven uitoefenen. Bij veranderingen naar een meer duurzame, groene bedrijfsvoering, spreken we van groene competenties (of ´Green Skills´). Denk hierbij bijvoorbeeld aan een industrieel elektricien die door bijkomende vaardigheden zoals kennis van energiebronnen, integratie van energiesystemen en projectmanagement kan omgeschoold worden tot manager hernieuwbare energie.

Ook vakbonden kunnen een rol spelen in de uitbouw van de competenties van morgen en bijhorende opleidingen, bijvoorbeeld door hun stem te laten horen in de sectorale opleidingsfondsen die paritair beheerd worden door vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers.[5]

Een andere bedrijfsvoering heeft andere competenties nodig. Sectorale opleidingsfondsen kunnen een rol spelen in het aanbrengen van deze ‘green skills’.

Een groene en rechtvaardige transitie

Gelukkig zijn er ook al een pak voorbeelden te vinden van een geslaagde combinatie van groene vernieuwingen en sociale betrokkenheid.

De ‘Odense Steel’ scheepswerf in Lindoe, Denemarken, was vroeger één van de grootste scheepswerven in Europa. Als gevolg van de economische crisis werd het bedrijf in 2012 opgedoekt. Hiermee kwamen 8.000 jobs op de helling te staan. Al snel werd duidelijk dat offshore hernieuwbare energie een opkomende sector was waarmee veel jobs gecreëerd konden worden. Mede onder druk van de vakbonden bleef men niet bij de pakken zitten en werd de focus van het bedrijf verlegd. Lindoe bleek een zeer geschikte plek voor een ommezwaai naar deze sector, mede doordat de nodige structuur is al aanwezig was: dokken, productie- en opslagfaciliteiten, kranen, materiaal voor zwaar transport, … . Daarnaast was er slechts een minimum aan bijkomende opleidingen nodig: veel competenties die nodig waren voor offshore hernieuwbare energie waren bij de arbeiders van Lindoe al aanwezig, zoals lassen, oppervlaktebehandeling van metalen en binneninrichting van schepen (plaatsen machines, elektriciteit, etc.). Daar waar nog bijkomende opleidingen nodig waren, werden deze georganiseerd in een nabijgelegen opleidingscentrum in samenwerking met het LORC (Lindoe Offshore Renewable Centre, een van de wereldwijd meest gerenommeerde onderzoeks-, innovatie-, en testcentra voor offshore windenergie). Op deze manier werd de succesvolle omwenteling van scheepsbouw naar offshore gerealiseerd.

In Denenmarken heeft men een oude scheepswerf succesvol omgevormd tot een offshore windenergiepark, mede dankzij de druk van de vakbond.

Ook dichter bij huis zien we voorbeelden van een syndicale stem in transitieprocessen. Bij zinkproducent Nyrstar in Balen zochten de vakbonden naar mogelijkheden rond de invulling van CAO 104, die doelt op het opstellen van een plan om het aantal werknemers ouder dan 45 jaar in de onderneming te behouden of te verhogen. Die maatregelen kosten echter geld aan het bedrijf, waardoor het management niet zomaar bereid is om hier hard op in te zetten. De vakbondsdelegatie deed daarom een reeks voorstellen aan het bedrijf om de maatregelen te bekostigen, waaronder door besparingen en verbeteringen op het vlak van energie en materialen. De concrete ideeën werden voornamelijk gehaald uit een bevraging van de werkvloer. Daar zijn immers de mensen met ‘de wijsheid van de vloer’ in pacht die goed wisten aan te geven waar besparingen en verbeteringen mogelijk waren.

De ‘wijsheid van de vloer’ kan voor heel wat verbeteringen zorgen en ruimte creëren voor een ander personeelsbeleid.

Recentelijk hebben de werknemers van Audi Vorst een belangrijke rol gespeeld in de beslissing van Audi om vanaf 2018 100% elektrische wagens te produceren in Vorst. De goede verstandhouding tussen werknemers- en werkgeversvertegenwoordiging droeg bij aan de keuze voor deze groene omslag en stelde tegelijkertijd de werkzekerheid voor een stuk terug veilig. Het Brussels Gewest investeerde daarenboven in een nieuw vormingscentrum dat kwaliteitsvolle vormingen voor heel wat werknemers kan waarborgen.[9]

Conclusie

De rol van werknemers en hun vertegenwoordigers in het transitieverhaal kan niet overschat worden. De laatste congressen van de vakbonden zetten steevast in op het duurzaamheidsthema, waarbij de link tussen de nood aan duurzaamheidstransities en sociale verworvenheden wordt hard gemaakt. Het linken van prioritaire syndicale thema’s als veiligheid en gezondheid of loononderhandelingen aan het duurzaamheidsthema opent heel wat perspectieven om de achterban te overtuigen om dit thema niet links te laten liggen. Want sociaal overleg is een onmisbare component om de transitie naar een rechtvaardige groene economie tot een succes te maken.

Thijs Calu is educatief medewerker Arbeid & Milieu vzw en schreef deze gastbijdrage op vraag van Poliargus