‘Waren we maar nooit aan die onderhandelingen begonnen’, zie je sommige voorstanders van TTIP denken. Niemand had verwacht dat TTIP, het vrijhandelsakkoord tussen de VS en de EU dat sinds twee jaar wordt onderhandeld, voor zoveel controverse zou zorgen. Handelsonderhandelaars die het gewend waren in alle rust en ver van camera’s te kunnen werken, zijn plots uit hun comfortzone gehaald.

Deze week zou het Europees Parlement normaal gezien een positie innemen ten aanzien van deze onderhandelingen. Die resolutie was een initatief van de sociaaldemocraten die vinden dat door al het maatschappelijke debat over TTIP er een nieuwe politieke situatie is ontstaan en de vorige (wat slappe) positie van het Parlement aan een update toe is.

Lastig parket

De sociaaldemocraten hebben zichzelf hiermee echter in een lastig parket gebracht. Zij zitten in dit dossier (zoals eigenlijk in alle dossiers) in het Europees Parlement tussen twee blokken. Aan de ene kant is er een (centrum-)rechts blok dat weinig problemen heeft met TTIP. Dat blok is groot maar heeft geen meerderheid in het Parlement. Voor het rechtse blok hoeft een resolutie eigenlijk niet: zonder duidelijke positie van het Parlement heeft de Europese Commissie de handen vrijer in de onderhandelingen.

Links van de sociaaldemocraten nemen de groenen en radicaal-links een duidelijke positie tegen TTIP in. De sociaaldemocraten zelf willen een sterke resolutie met enkele duidelijke voorwaarden. Vele (maar niet alle) van haar leden willen (onder druk van de publieke opinie) dat het ISDS, dat de mogelijkheid biedt aan internationale investeerders om overheden voor een privaat arbitragetribunaal te dagen, duidelijk wordt afgewezen in de resolutie. Maar het rechtse blok wil niet verder gaan dan hervormingen van ISDS bepleiten.

De sociaaldemocraten staan nu voor de verscheurende keuze tussen zich neer te leggen bij een resolutie zonder een duidelijke afwijzing van ISDS en alle kritiek die zij daarvoor vanuit andere linkse hoek zullen krijgen, of uiteindelijk geen resolutie te kunnen stemmen. De rechtse partijen zitten in een zetel en laten de sociaaldemocraten met zichtbaar genoegen spartelen. Uiteindelijk werd de stemming uitgesteld.

De rechtse partijen zitten in een zetel en laten de sociaaldemocraten met zichtbaar genoegen spartelen

TTIP is zo een kijkstuk geworden met quasi-House of Cards allures, en niet iedereen is daar dus mee opgezet. Zelf vind ik het hele debat over TTIP een zeer goede zaak, en niet alleen omdat het me toelaat opiniestukken en boeken te schrijven. Handelsonderhandelingen zijn te belangrijk geworden om over te laten aan experten. Ze gaan over onder welke voorwaarden we producten en diensten op onze markt toelaten.

Simplismes over en weer

Voorstanders van TTIP verwijten tegenstanders regelmatig dat debat te vergiftigen met simplismes (en mensen angst aan te jagen met verhalen over hormonenvlees en chloorkippen) maar doen vaak gewoon hetzelfde. Ze presenteren het wegwerken van verschillen in regelgeving tussen de EU en de VS als de logica zelve; een ‘no-brainer’. ‘We laten auto’s geproduceerd in Volvo Gent toch ook niet nog eens testen in Limburg’, stellen ze bijvoorbeeld.

Die vergelijking loopt zeer mank. Tussen provincies in België (en tussen Lidstaten van de EU bij uitbreiding) kennen we inderdaad geen douanecontroles omdat we één democratie vormen, waar dezelfde regels gelden die de politieke vertaling van onze maatschappelijke voorkeuren zijn. De EU en de VS zijn tot nader orde twee aparte democratieën, waar verschillende regels tot stand komen die de weerspiegeling zijn van per definitie verschillende maatschappelijke voorkeuren. Natuurlijk kan worden onderzocht of onze regels soms voldoende gelijkwaardig zijn zodat bedrijven zich maar naar één standaard moeten schikken en hun product maar één maal moeten laten testen als ze die ook aan de overkant van de Oceaan aan de man willen brengen. Maar dat is niet iets waar we licht kunnen overgaan, zoals in het debat door voorstanders vaak wordt gedaan. Het raakt aan onze democratiche soevereiniteit.

Dieper debat: handel of regulering boven?

Voor- en tegenstanders van TTIP zijn het over bijna niets eens, behalve over het feit dat vrijhandel en nationale regels soms botsen. Dat klopt, en het gaat vaak om veel minder onschuldige zaken dan het verschil tussen een Europese en Amerikaanse autobumper. Om een twist te geven aan het bovengenoemde voorbeeld van voorstanders: we zouden het evenzeer onredelijk  vinden dat auto’s in Limburg onder het minimumloon en slechtere werkomstandigheden worden geproduceerd. Toch laten we dat wel toe wanneer we producten uit het buitenland importeren (in dit geval ook binnen de Europese Unie). Daardoor botsen onze maatschappelijke voorkeuren soms op de realiteit van concurrentie uit de rest van de wereld. We doen daar momenteel niets aan, maar eigenlijk zouden we dat wel kunnen.

Er kan dus op een heel andere manier naar de relatie handel-regulering gekeken worden en andere vergelijkingen kunnen worden gemaakt. Het ene standpunt (regulering moet zich aanpassen aan vrijhandel) is niet meer of minder redelijk dan het andere (handel moet meer gereguleerd worden om onze maatschappelijke voorkeuren te beschermen). Het zijn niet meer of niet minder dan twee verschillende ideologische visies die tot uiting komen in TTIP. Het debat moet worden gevoerd met respect voor beide standpunten, en niet worden gesloten door de ander onredelijk te noemen.

Maar zoals in het begin gesuggereerd zijn er wellicht sommigen die dit debat liever nooit hadden gevoerd.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd als opinie op www.demorgen.be (12 juni 2015)