Het debat over de kortere werkweek gaat niet liggen. In Vlaanderen werd de bel aan de kat gebonden door vrouwenorganisatie Femma die duidelijk pleit voor een 30 urenweek. Niet veel later toonde de PVDA zich een grote voorstander en boog ook de denktank Poliargus zich over het onderwerp. De recente Koppen reportage en de eerste resultaten van het Göteborg experiment laaiden het debat weer (kortstondig) op.

Maar op de grote spelers is het vooralsnog wachten. Afgezien van de PVDA is er geen enkele partij met een duidelijk uitgesproken mening over het onderwerp en ook de vakbonden lijken de kat uit de boom te kijken.

Aan de andere kant van de taalgrens is de situatie enigszins anders. Daar was het niet de vrouwenbeweging, maar de PTB (PVDA) die het debat lanceerde. En daar sprongen de vakbonden zeer duidelijk wél op de kar. Zowel vanuit de Christelijke bediendenbond (CNE) als vanuit de Waalse socialistische bond (FGTB) zijn duidelijke standpunten vóór een collectieve arbeidsduurvermindering ingenomen. En ook Ecolo lijkt zich aan te sluiten bij het pro-kamp (link).

Tijd om de twee debatten even kort met elkaar te vergelijken. Zo zien we dat de focus van het debat duidelijk verschilt. In Vlaanderen werd het thema op de kaart gezet door de vrouwenbeweging en het gender-aspect komt duidelijk terug in de argumentatie. Door de kortere werkweek moet de combinatie werk en privé gefaciliteerd worden en moeten vrouwen een meer gelijke positie verwerven op de arbeidsmarkt.

In Franstalig België is dat (voor zover ik er zicht op heb) bijna geen punt. Daar is het debat gelanceerd door de arbeidsbeweging en staat werkgelegenheid centraal. Met z’n allen enkele uren minder werken moet vooral zorgen voor een herverdeling van het werk. In beide landsdelen wordt er ook gekeken naar de mate waarin een kortere werkweek het werk ‘werkbaar’ kan maken, maar ook in die discussie zitten accentverschillen. Terwijl in Vlaanderen de kortere werkweek vooral moet zorgen voor een betere combinatie van arbeid en privé (en zo voor meer werkbaar werk), stelt men in Franstalig België vooral dat minder werken eenvoudigweg minder belastend is voor de werknemer.

In beide landsdelen wordt het debat dus gevoerd met een andere focus. Maar ook de manier waarop het debat gevoerd wordt verschild. In Vlaanderen is het debat vooralsnog gefocust op de wenselijkheid van een kortere werkweek. Willen we dat wel, minder werken? Wat zou het ons opleveren en wat niet? En waar zitten de addertjes onder het gras? De haalbaarheid wordt natuurlijk ook besproken, maar in algemene termen en zonder concrete voorstellen voor hervormingen.

Ook dat lijkt in Franstalig België anders te liggen. Natuurlijk wordt er ook gediscussieerd over wenselijkheid en haalbaarheid, maar worden er ook ballonnetjes met concrete beleidspistes op tafel gelegd. Zo lanceerde Marc Goblet (FGTB) het idee om de arbeidsduur vooral voor oudere werkenden te verminderen. De logica? Als iedereen langer moet werken, dan moet het werk ook werkbaar zijn, vooral voor de oudere werknemers. Een kortere werkweek moet dat mogelijk maken en dus bijdragen aan het langer-werken beleid.

Op het eerste gezicht lijkt deze redenering  stand te houden. Eén van de duidelijk geobserveerde effecten van de arbeidsduurvermindering naar 35 uur in Frankrijk was een sterke verhoging van de activiteitsgraad van de oudere werknemers. Met een kortere werkweek zagen oudere werknemers het dus beter zitten om verder te werken, of in ieder geval werk te gaan opzoeken.

Maar een meer diepgaande blik op die cijfers leert ons dat Frankrijk met die verhoogde activititeitsgraad voor oudere werknemers helemaal niet op het Europese peloton vooruit liep. Meer zelf, door de verhoging kon Frankrijk net aansluiten bij het Europese peloton door zijn lage activiteitsgraad te normaliseren. Daarnaast is de relatie tussen minder werken en werkbaar werk helemaal niet eenduidig en riskeert een dergelijke gedeeltelijke arbeidsduurvermindering voor oudere werknemers ze een (bijkomend) concurrentieel nadeel op te leveren ten opzichte van jongeren die minder kosten en ‘normalere’ werkweken zouden hebben.

Het ballonnetje van Goblet mag dan al niet perfect zijn, zijn voorstel opent wel een nieuw luik van de discussie over de kortere werkweek. In Vlaanderen is dat luik vooralsnog gesloten in het publieke debat.

Tijd dus dat de voorstanders van de kortere werkweek hun tweede taal afstoffen en over het muurtje van de taalgrens kijken. Van beide kanten valt er wat te leren. Willen we de discussie levendig houden en de kortere werkweek dichterbij laten komen dan moeten alle argumenten (voor en tegen) uitgewerkt worden en is er nood aan concrete beleidsvoorstellen. Daarbij is arbeidstijd nog steeds federale materie en zal er draagvlak moeten zijn aan beide kanten van de taalgrens over een arbeidsduurvermindering met eenzelfde focus. Werk aan de winkel dus.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd als column in De Gids op Maatschappelijk Gebied (December 2015)