In hun boek ‘De basis spreekt’ presenteren Patrick Vander Weyden en Koen Abts samen met anderen uitgebreid de resultaten van een representatieve bevraging van de leden en de mandatarissen van de sp.a. De sociale achtergrond en attitudes van deze twee groepen vergelijken ze verder met een representatieve steekproef van het Vlaamse electoraat. Hun doel is om te analyseren hoe de partij er uitziet, wat de partijbasis denkt over cruciale maatschappelijke thema’s en op welke vlakken de partij één en verdeeld is. Het is echter niet hun intentie om te oordelen welke richting de partij uit moet of hoe ze zich het best organiseert. Dat laten ze aan anderen over. In deze boekbespreking gaan we dan ook deze uitdaging aan. In plaats van een samenvatting te maken van de voornaamste onderzoeksbevindingen (een goede samenvatting van het boek kan men vinden in SamPol), lichten we er aantal opmerkelijke resultaten uit en bespreken we deze in de diepte.

1. De duale achterban
Sociaaldemocratische partijen lijken zowel op cultureel als sociaaleconomisch vlak voor een dilemma te staan.Enerzijds vormen thema’s als criminaliteit, migratie en identiteit een splijtzwam binnen de sociaaldemocratische beweging: een ‘flinks’, cultureel conservatief discours staat hier tegenover een cultureel progressief verhaal. Anderzijds bestaat er ook onenigheid over de te volgen sociaaleconomische koers. Er bestaat immers een spanning tussen een eerder ‘traditioneel’ georiënteerde sociaaldemocratie (dicht bij de vakbonden) versus een sociaaldemocratie die dichter aansluit bij het links-liberalisme (populair in intellectuele kringen). Het antwoord op zowel de culturele als sociaaleconomische spanning lijkt dan ook een keuze te impliceren tussen de laaggeschoolde basis enerzijds en de hooggeschoolde achterban anderzijds, vaak vereenvoudigd tot ‘volkshuissocialisme’ versus ‘loftsocialisme’. Door de opinie van de leden over tal van ideologische kwesties te bevragen, konden de auteurs nagaan in welke mate er inderdaad een kloof bestaat tussen de hoog- en laagopgeleide basis.
De resultaten houden zowel slecht als goed nieuws in. Het slechte nieuws is dat de laagopgeleide leden (personen met max. lager secundair onderwijs) meer etnocentristisch zijn, kritischer staan ten opzichte van de welvaartsstaat, en minder bezorgd zijn om het milieu dan de hoogopgeleide leden (personen met een diploma van het hoger onderwijs). Het goede nieuws is dan weer dat er geen opleidingsverschillen zijn in de eigen links-rechtspositionering en dat de laag- en hoogopgeleide leden niet verschillen in hun streven naar meer sociaaleconomische gelijkheid. De basis verenigt zich dus achter een links economisch verhaal. Men is echter wel verdeeld over de rol van de welvaartsstaat bij deze sociaaleconomische herverdeling en meerbepaald hoe in- of exclusief de welvaartsstaat moet ingericht worden.
2. Hoe actiever, hoe linkser
Een opmerkelijke vaststelling is dat de sp.a-mandatarissen linkser en progressiever zijn dan de sp.a-leden. Ze beschouwen zichzelf als linkser, streven meer naar sociaaleconomische gelijkheid, zijn minder kritisch ten opzichte van de welvaartsstaat, staan meer open ten opzichte van migranten, en zijn meer bezorgd om het milieu. Deze verschillen kunnen bovendien niet verklaard worden door geslacht, leeftijd, beroepssituatie, opleidingsniveau of religieuze overtuiging. Na controle voor deze factoren zijn de mandatarissen nog steeds linkser en progressiever dan de leden.
Binnen de linkse beweging is een vaak gehoorde bewering dat de sp.a-mandatarissen veel minder links zijn dat de basis. Deze bewering wordt in dit onderzoek dus niet meteen empirisch bevestigd, integendeel. Het is natuurlijk wel zo dat in het onderzoek geen onderscheid gemaakt werd tussen de lokale mandatarissen, de nationale mandatarissen, en de zogenaamde ‘partijtop’.
De leden zijn uiteraard geen homogeen blok. Het is dan ook de innovatieve verdienste van de auteurs dat ze de leden op basis van hun activiteitsgraad onderverdeeld hebben in vier groepen. De eerste groep van de ‘papieren leden’ (32% van het ledenbestand) betalen hun lidgeld en lezen sporadisch het partijblad, en daarmee is alles gezegd. De tweede groep van de ‘passieve leden’ (18%) informeren zich beter over de sp.a in de media en het partijblad, gaan al eens naar een afdelingsvergadering, en zijn reeds bereid om eens ‘affiche omhoog te hangen’. Ze zullen echter nooit actief andere mensen overtuigen van het socialistische ideeëngoed. De derde groep van de ‘steunende leden’ (30%) proberen daarentegen wel actief anderen te overtuigen van de sp.a-standpunten. Ze zijn niet nauw verbonden met de partijwerking, maar overtuigen vooral anderen via hun persoonlijke netwerken. De vierde groep van de ‘actieve leden’ (20%) tenslotte zijn de manusjes-van-alles. Ze hangen bijna allemaal affiches omhoog, informeren zich heel sterk over de standpunten van de sp.a, verspreiden in grote getallen drukwerk voor de mandatarissen…
Als verklaring voor het meer linkse en progressieve profiel van de mandatarissen suggereren de auteurs een selectiemechanisme: “meer progressief ingestelde partijmilitanten zouden meer kansen krijgen om door te stoten tot de partijelite en de bestuursmandaten” (p. 66). Van deze post-hoc verklaring ben ik echter niet volledig overtuigd. Het zou ook kunnen dat men linkser wordt naarmate men actiever is in de partij (een proces van politieke emancipatie). Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat mensen die actiever en bewuster nadenken over sociale ongelijkheid linkser en progressiever gaan denken.
Hoewel verder (longitudinaal) onderzoek verreist is, lijken de resultaten ook deze politieke emancipatie-these te ondersteunen. De mandatarissen en de actieve leden verschillen immers nauwelijks van elkaar op een links-rechtsschaal. Ze nemen een gematigd linkse positie in. Wat minder links zijn dan weer de steunende leden, gevolgd door de passieve en papieren leden en de sp.a-kiezers. Dit stramien wordt grotendeels bevestigd voor alle ideologische kwesties (gelijkheidsstreven, welvaartsstaatkritiek, etnocentrisme, repressie, milieu, ethische thema’s) die geanalyseerd zijn. Een andere lezing van de resultaten zou dan ook kunnen zijn dat hoe politiek actiever iemand met sociale ongelijkheid bezig is, hoe linkser hij/zij denkt over de maatschappij. De sp.a zou dan ook de passieve en papieren leden terug bij de partijwerking moeten betrekken en politiek socialiseren.
3. Politieke empowerment
Uit het onderzoek blijkt verder dat meer dan de helft van de sp.a-leden vindt dat ze geen invloed hebben op de politiek, terwijl net tweederden van de leden lid geworden zijn om mee te werken aan de doelstellingen van de sp.a en te voorkomen dat andere partijen sterker zouden worden of aan de macht zouden komen. Deze kloof tussen de praktijk en de initiële motivatie illustreert duidelijk dat de sp.a (net zoals andere partijen?) te kort schiet op vlak van politieke empowering. Veel leden worden lid omdat ze iets aan de maatschappij willen veranderen. Wil de sp.a terug groter worden, dan zal ze er in moeten slagen dit potentieel te benutten.
De leden geven echter ook advies over hoe de partij terug aan macht en invloed zou kunnen winnen. Enerzijds pleiten de leden voor een grotere maatschappelijke verankering. Meer dan 70% van de leden wil dat de bevoorrechte relaties met het ABVV en socialistische mutualiteit terug versterkt worden. Wat meer dan de helft van de leden wil bovendien dat ook de banden aangehaald worden met middenveldorganisaties zoals Greenpeace, de Gezinsbond, Natuurpunt… De band moet dus terug aangehaald worden met zowel de ‘oude’ als de ‘nieuwe’ sociale bewegingen. Anderzijds mist de partij volgens ruim 40% van de leden ook een duidelijke boodschap. Vooral verkozen mandatarissen, die de confrontatie met de kiezers moeten aangaan, vinden het huidige partijverhaal te vaag, te complex en te weinig overtuigend. Het advies van de basis is dus een combinatie van maatschappelijke verankering en een duidelijke boodschap.