In de weekendkrant van De Morgen (14/09/2013) stond vorige week een groot interview met Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom van de denktank Itinera. Van de Cloot laat zijn licht schijnen over de bankwereld, vijf jaar na de val van Lehman Brothers, het min of meer officiële begin van de zware mondiale financieel-economische crisis die ons nog altijd in de greep houdt. Van de Cloot maakt een kritische analyse van de doorgevoerde hervormingen, en de bankensector vandaag. Doordat iedereen vandaag “tegen” de banken lijkt te zijn, blijft een ideologisch debat echter grotendeels afwezig.

Het interview met Ivan van de Cloot, zelf ex-werknemer van de bank ING, laat zien dat de bankensector ideologisch in het defensief zit. Terecht stelt Van de Cloot dat de winsten geprivatiseerd worden en de verliezen gesocialiseerd. De belangrijkste oplossing voor Van de Cloot, naar analogie met wat bijvoorbeeld de bekende expert Anan Admati voorstelt, is dat banken meer eigen vermogen moeten aanhouden. Hij is ook voorstander van een scheiding tussen spaar- en investeringsbanken, een goed voorstel dat al sinds het uitbreken van de crisis wordt geopperd. Tot slot maakt Van de Cloot brandhout van sommige argumenten van de bankenlobby. Zo stelt hij, opnieuw terecht, dat het verdwijnen van (ongewenste) speculatieve activiteiten naar het buitenland niet echt problematisch is, en dat dreigen met vertrek naar het buitenland ongeloofwaardig is omdat banken hier altijd winst zullen willen maken.

De analyse die Van de Cloot maakt is vrij scherp, zeker voor een econoom die vroeger bij een bank werkte en nu hoofdeconoom is bij een eerder rechtse denktank. De voorstellen die hij doet verdienen alle steun. Maar tegelijkertijd worden verschillende aspecten niet of onvoldoende in vraag gesteld en bediscussieerd, niet alleen in dit interview, maar ook in het maatschappelijk debat in het algemeen. Die afwezigheid leidt tot een gedepolitiseerde visie op de bankensector (en de economie). We kunnen “allemaal samen” de banken eens goed aan banden leggen, en elke vorm van ideologische tegenstelling ontbreekt.

Er zijn echter minstens vier redenen waarom links verder moet gaan en het debat over de financiële sector (en over economie) moet politiseren. Ten eerste: enkel praktische voorstellen doen verarmt het maatschappelijk debat. Het geeft de indruk dat de organisatie van de financiële sector enkel een technische vraag is, en geen politieke keuzes vergt. Bovendien leidt het vooral tot vragen over wat meteen praktisch haalbaar is, of zelfs wat nuttig is voor het huidige mondiale kapitalisme. Ten tweede: als er geen ideologisch debat meer is,  beperkt links zich tot het proberen te beheren van het systeem, zonder dat systeem nog in vraag te stellen. Het mag dan bovendien ook geen verbazing opwekken dat linkse partijen (inhoudelijk en electoraal) niet echt kunnen profiteren van een zware systeemcrisis. Ten derde: om op langere termijn een kritische massa te creëren die linkse voorstellen steunt, moet er een bindend element zijn binnen die massa. Zo’n duurzaam bindend element kan enkel gecreëerd worden via een ideologische (en zelfs morele) visie, en niet via louter een aantal praktische voorstellen. Ten vierde: het lijkt vandaag alsof de bankencrisis een schoonheidsfoutje is in een systeem dat voor de rest in topconditie verkeert. Dat is niet alleen fout, zoals hieronder verder verduidelijkt, maar het verbloemt ook dat het kapitalisme fundamenteel crisisgevoelig is. Links moet dat feit aanwenden voor een diepgaander kritiek van het huidige economisch systeem.

De politisering van het debat over de financiële sector vereist dat we het over ten minste vijf (met elkaar verbonden) belangrijke aspecten hebben. Ten eerste moeten we ons afvragen: wat is de bedoeling van banken? Van de Cloot heeft het wel over “spaargeld dat moet dienen om de reële economie te financieren”, en geeft dus een begin van een antwoord. Maar het moet verder gaan dan dat. Welke activiteiten moeten banken dan ondersteunen? Aanvaarden we dat banken spaargeld van gewone mensen gebruiken om leningen te geven aan de wapenindustrie? Dat activiteiten worden ondersteund die het klimaat verder naar de knoppen helpen (bvb. ontginning van schaliegas)? Of dat kmo’s gefinancierd worden die een normale vakbondswerking – een fundamenteel sociaal recht – verhinderen? Links moet ook aanklagen dat individuele banken nu beslissingen nemen over welke investeringsprojecten financiering verdienen. Moeten we als gemeenschap geen prioriteiten stellen en bepalen dat bepaalde economische activiteiten voor bepaalde bedragen financiering zouden moeten krijgen?

Deze vraag leidt onvermijdelijk tot een tweede discussie: moeten we winstmaximalisatie in de bankensector niet aan banden leggen? Je kan argumenteren dat winsthonger in de bankensector nog schadelijker effecten heeft op de maatschappij dan in andere sectoren. Dat betekent niet dat er geen winst kan gemaakt worden, maar wel dat winst niet de centrale doelstelling moet/mag zijn, en dat lage winstvoeten voldoende kunnen zijn.

Ten derde: als we winstbejag in vraag stellen, betekent dat dat ook privaat eigendom van banken in vraag gesteld moet worden. Aangezien private ondernemingen per definitie winstmaximalisatie als doelstelling hebben, is een volledig of zelfs gedeeltelijk private bankensector geen evidentie. Waar coöperatieve en overheidsbanken geen garantie zijn voor minder winstbejag, zijn ze de enige mogelijkheid om een minder winstgerechte bankensector te creëren. Daarbij is een adequate beslissingsstructuur van en controle over zowel de individuele banken als de sector als geheel nodig. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vertegenwoordigers van consumentenorganisaties, ecologische organisaties & vzw’s die ijveren voor een duurzame financiële sector (zoals Fairfin of Finance Watch) in de raad van bestuur. Dat zal geen voldoende voorwaarde zijn om Dexia-debacles te vermijden, maar het kan wel een eerste stap zijn.

Een vierde en daarbij aansluitende vraag is: zijn geïnternationaliseerde banken wel nodig, nuttig en aanvaardbaar? Uit de crisis is opnieuw gebleken dat grensoverschrijdend bankieren verschillende gevaren inhoudt. Als winstmaximalisatie geen doelstelling meer is binnen een stabiele en gezonde bankensector, dan zijn de voordelen van buitenlandse expansie bovendien beperkt. Omgekeerd kunnen buitenlandse private banken met winstoogmerk de binnenlandse sector verstoren, als die binnenlandse sector niet gericht is op winstbejag. Tot slot, als de gemeenschap moet bepalen welke activiteiten gefinancierd moeten worden met het spaargeld, dan moet er ergens een democratisch niveau zijn waarop die inspraak moet georganiseerd worden. Aangezien de nationale (en subnationale) overheden op dat vlak nog steeds de meest logische instituties zijn, is het vanuit democratisch oogpunt ook logisch dat bankieren min of meer beperkt blijft tot datzelfde geografische niveau.

Tot slot is er nog de eerder gemaakte bedenking dat de focus op een “ongezonde bankensector” in een “gezonde reële economie” niet correct is. Slechts één voorbeeld is dat de toename van speculatieve activiteiten bij banken verbonden is met andere evoluties, zoals de dalende mate waarin grote ondernemingen afhankelijk zijn van bankenleningen (doordat ze zich financieren via eigen winsten of op financiële markten), of de tanende koopkracht van gezinnen (vooral in de VS) die daardoor meer gaan lenen bij banken (zie de analyse van Costas Lapavitsas van de University of London). Dat betekent bijvoorbeeld dat we op zijn minst ook de organisatie van financiële markten (aandelen, obligaties, derivatieven) zullen moeten in vraag stellen.

Als linkse bewegingen en partijen deze vijf vragen meer aan bod laten komen in het maatschappelijk debat, zullen ideologische keuzes belangrijker en duidelijker worden. In plaats van de apolitieke vraag hoe we een nieuwe bankencrisis kunnen voorkomen, zoals nu ook het centrale thema was van het interview met Ivan Van de Cloot, komt dan de gepolitiseerde vraag welk soort maatschappij de bankensector moet dienen. Uiteindelijk leidt een debat over de bankensector zo tot de fundamentele vraag: welk soort maatschappij willen we?