Mensen met een migratieachtergrond hebben het nergens in de Europese Unie zo lastig op de arbeidsmarkt als in België. De positie van migrantenvrouwen is telkens nog precairder dan die van mannen met een migratieachtergrond. Uit de federale Socio Economische Monitoring van 2013 blijkt dat in dat jaar maar 33% van de vrouwen in Vlaanderen met Marokkaanse of Turkse roots een formele, betaalde job had. Een zorgwekkend cijfer omdat werkloosheid en inactiviteit vaak gepaard gaan met Socio-economische kwetsbaarheid en armoede. De cijfers uit de Socio-economische Monitoring van 2015 leren ons dat het verschil tussen mannen en vrouwen op vlak van werkzaamheid en werkloosheid voor alle origines iets is afgenomen. Toch blijft er een kloof bestaan tussen de werkzaamheid van mannen en vrouwen én die van Belgische vrouwen en vrouwen met een andere herkomst. Vrouwen met een migratieachtergrond worden met andere woorden tegelijkertijd geconfronteerd met uitsluitingsmechanismen op het vlak van gender én op vlak van etniciteit/herkomst. Die twee mechanismen grijpen op elkaar in en versterken elkaar, en dat leidt tot structurele vormen van marginalisering en exclusie.

Maar 33% van de vrouwen met Marrokkaanse of Turkse roots had een formele, betaalde job in 2013. Deze vrouwen kampen met een dubbel probleem: gender en etniciteit

Dat discriminatie het voornaamste obstakel voor betaalde arbeidsdeelname is

Uit een recent afgesloten actie-onderzoek van ella vzw | Kenniscentrum gender en etniciteit over de positie en ervaringen van vrouwen met een migratieachtergrond op de Vlaamse arbeidsmarkt, blijkt dat de geïnterviewde vrouwen discriminatie steevast naar voren schuiven als hindernis nummer één bij het zoeken en vinden van een betaalde job. Veelal rapporteren de vrouwen meervoudige discriminatie op het snijvlak van bijvoorbeeld gender, etniciteit en taal. Het hoofddoekenverbod bij verschillende publieke instellingen en bedrijven en in het onderwijs sluit vrouwen uit die een hoofddoek dragen, en dit onder het mom van neutraliteit. Het verbod, en de wijdverbreide negatieve attitudes ten aanzien van de hoofddoek, verkleinen hun kansen op de arbeidsmarkt aanzienlijk. Het huidige verkokerde ‘klachtensysteem’ in Vlaanderen (en België) is niet in staat om deze en andere vormen van meervoudige discriminatie integraal te behandelen. Het neerleggen van een klacht is bovendien sowieso niet evident. Zo moet je weten waar je met een klacht terecht kunt, dit kan namelijk, afhankelijk van de klacht, bij het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, de Vlaamse ombudsvrouw, de regionale meldpunten Discriminatie, de vakbonden, UNIA,… .Voor veel vrouwen is het melden van discriminatie niet haalbaar, zelfs als ze weten waar dat kan. Zij hebben niet de ruimte om dat te doen, al hun energie gaat naar overleven, zeker als zij er alleen voor staan met kinderen en/of in armoede leven. Het neerleggen van een klacht kost veel energie, de vereiste bewijslast is hoog. De mogelijke ‘return’ voor het slachtoffer is dan weer onduidelijk en onzeker

Voor veel vrouwen is het melden van discriminatie niet haalbaar, zelfs als ze weten waar dat kan

Dat de anti-discriminatiewetgeving, en de uitvoering ervan, hopeloos tekort schiet

Ondanks de uitgebreide discriminatiewetgeving in België functioneert het juridisch anti-discriminatieapparaat verre van optimaal. De procedurekosten zijn relatief hoog. De gang naar de rechtszaal wordt steeds moeilijker voor mensen met een klein inkomen door de beperking van pro-deo middelen en faciliteiten. Daarnaast zijn de bevoegde juridische instanties overbelast en ervaren mensen allerhande psychologische drempels. De kloof tussen burger (v/m/x) en rechter is anno 2016 nog altijd erg groot. Sterker nog, hij is groter geworden door recente besparingsmaatregelen.

De kloof tussen burger (v/m/x) en rechter is groot en wordt steeds groter.

Bij de anti-discriminatiewetgeving ligt de bewijslast niet bij het slachtoffer maar bij de partij waartegen men de zaak aanspant. Deze beschuldigde partij dient zich te verantwoorden over de motivering van de gemaakte keuzes. Er worden niet veel anti-discriminatiezaken aangespannen. Als er een dossier wordt aangelegd komt het bijna nooit tot een veroordeling. Vrijwel alle partijen die zich moeten verantwoorden stellen een tendensonderneming te zijn of beroepen zich op ‘wezenlijke en bepalende beroepsvereisten’. Tendensondernemingen zijn organisaties als de katholieke kerk. Om daar te werken is een katholieke geloofsovertuiging cruciaal, tenzij je wordt aangeworven om de administratie te doen of als keukenpersoneel. Als het gaat om ‘wezenlijke en bepalende beroepsvereisten’ mag er bij de aanwerving van bepaalde krachten een onderscheid worden gemaakt op basis van beschermde criteria. Denk daarbij aan de aanwerving van acteurs. Indien men een actrice zoekt, kunnen mannen die solliciteren geen klacht neerleggen wegens geslachtsdiscriminatie. Deze twee uitzonderingsgronden zijn welomlijnd en zeker niet op iedere discriminerende aanwerving van toepassing. Toch worden ze in de praktijk voortdurend ingeroepen. Hierdoor worden deze uitzonderingsregimes uitgehold. Omdat er weinig discriminatiezaken worden aangespannen en behandeld, wordt er ook weinig ervaring en expertise opgebouwd door magistraten op vlak van anti-discriminatie waardoor zij minder goed in staat zijn om zaken met de nodige finesse af te wikkelen.

Dat onze definitie voor en waardering van werk tekort schiet

De meeste vrouwen die ella vzw in het kader van het actie-onderzoek heeft geïnterviewd, werken. Veruit het meeste werk dat zij doen is echter niet betaald. Het wordt veelal niet ‘gelijkgesteld’, gevaloriseerd of zelfs maar gezien. Het is in strikte zin ‘waardeloos’. Het gaat om zorgarbeid, mantelzorg, buurtwerk, opbouwwerk en het ontplooien en opnemen van activiteiten in het verenigingsleven. De status en onzichtbaarheid van het werk dat zij uitvoeren draagt bij aan de stereotiepe beeldvorming van vrouwen met een migratieachtergrond als passief en ongeëmancipeerd.

Het is niet verwonderlijk dat de vrouwen die wij geïnterviewd hebben veelal onbetaald werk doen. De meesten van hen hebben momenteel geen betaalde job. De werkgevers waar zij solliciteren nemen hen niet aan. Het doen van zinvol onbetaald werk is voor hen (en vele anderen) een manier om buiten te komen, zich nuttig te maken, een positieve bijdrage te leveren aan de buurt of ruimere samenleving, om andere mensen te ontmoeten, zichzelf uit te dagen en te ontwikkelen én als opstap naar een reguliere betaalde job. Verschillende vrouwen die ella vzw heeft gesproken hebben zelf een vereniging opgericht. Met hun projecten willen de vrouwen het verschil maken voor andere mensen die het lastig hebben en  te maken hebben met uitsluiting, marginalisering en armoede.

Een van de vrouwen stelt dat ze andere vrouwen de ondersteuning en tools wil geven die ze zelf altijd heeft gemist. Intussen biedt ze vrouwen in haar woonplaats gratis een uitgebreid gamma aan cursussen en vormingen aan; van Nederlandse les tot yoga. Zij doet dit onbezoldigd, zonder financiële steun in de vorm van subsidies. Wat zegt dit over onze waardering van arbeid? Wat zegt dit over onze arbeidsmarkt? Alleszins dat wij niet in staat zijn om alle vormen van arbeid te zien, te waarderen en te valoriseren. Dat wij werk van fundamenteel belang niet altijd betalen of financieren. Werk dat eigenlijk zou moeten worden opgenomen door publieke instellingen als het CAW.

Het toont ook dat wij de sociale en reproductieve arbeid die nog steeds voor het overgrote deel wordt uitgevoerd door vrouwen, niet waarderen en belonen. Dat wij niet alle vormen van arbeid beschouwen als werk, met alle financiële en socio-economische gevolgen van dien. Dat wij enkel zogenaamde productieve arbeid verlonen en omkaderen – het werk dat traditioneel buitenshuis wordt opgenomen door mannen. Dat het werk dat die productieve arbeid mogelijk maakt, met name zorgarbeid, buiten ons blikveld valt. We zien het niet, verbannen het naar de privé-sfeer. Laten moeders en vaders in de anonimiteit voortploeteren met steeds minder faciliteiten en ondersteuning. De andere les? Dat onze betaalde arbeidsmarkt hopeloos ontoegankelijk blijft voor vrouwen met een migratieachtergrond terwijl veel sociale rechten in ons land enkel opgebouwd kunnen worden via betaald werk. Een grove onrechtvaardigheid en een schending van hun sociale recht op werk.

Onze betaalde arbeidsmarkt is hopeloos ontoegankelijk voor migrantenvrouwen terwijl veel sociale rechten er wel van afhangen.

Dat vrouwen met een migratieachtergrond geen beleidscategorie zijn en op vrijwel alle niveaus tussen wal en schip vallen

Vrouwen met een migratieachtergrond zijn nooit een beleidscategorie of -prioriteit geweest voor het Vlaams tewerkstellingsbeleid gericht op evenredige arbeidsdeelname. Zij zijn geen volwaardige beleidscategorie binnen het Vlaams gelijkekansenbeleid. Het integratiebeleid erkent hun specifieke problemen, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt, maar koppelt daar geen concrete beleidsvoorstellen aan. Worden zij gediscrimineerd, dan kunnen zij niet bij één dienst terecht. Vrouwen met een migratieachtergrond zijn ook op beleidsniveau onzichtbaar. Er liggen pro-actieve voorstellen op tafel om hun situatie te verbeteren en discriminatie pro-actief aan te pakken, onder andere door middel van praktijktesten, bijvoorbeeld in de vorm van mystery calls bij bedrijven. De integrale behandeling van klachten op basis van alle anti-discriminatiegronden zou ook een grote stap vooruit betekenen. Een andere belangrijke randvoorwaarde voor arbeidsdeelname is toegankelijke, betaalbare en inclusieve kinderopvang. Een versterkend gelijke kansenbeleid dat zich niet alleen primair richt op gender maar ook op etniciteit en de kruising van deze assen is eveneens cruciaal. De ideeën zijn er, de alarmerende cijfers spreken boekdelen. Nu de politieke wil en daadkracht nog.

Gastbijdrage van: Merel Terlien & Sarah Scheepers, ella vzw | Kenniscentrum gender en etniciteit

 

Lees het volledige rapport hier.